Wallonië Picarde is een toeristische regio binnen de Waalse provincie Henegouwen, waar tradities, feesten en natuur de kern vormt. Een groot en groen gebied met 330.000 inwoners, dat zich uitstrekt tussen de steden Rijsel (Lille), Brussel, Bergen (Mons) en Kortrijk. De regio telt 23 gemeenten, twee natuurparken en drie erfgoed- en winkelsteden. De regio wordt ook wel West-Hainaut genoemd. De belangrijkste stad is Doornik. De kathedraal van Doornik is één van de belangrijkste erfgoederen van Wallonië en staat op de Werelderfgoedlijst. Nu ga ik het hebben over de andere bezienswaardigheden in deze regio. Ga hier gerust een week (of twee) heen, verblijf op één van de campings of parken en ga er lekker op uit.

Enghien/Edingen

De stad Edingen ligt aan de oude Romeinse heirbaan Bavay-Asse. Het hoorde in de Karolingische tijd bij de Brabantgouw. Edingen was vooral bekend vanwege de productie van wandtapijten. Zeker vanaf 1486 had het stadje een rederijkerskamer. Het stadje was vroeger het bezit van de familie van Arenberg die het gebied in 1606 verkreeg van Hendrik IV.

Tot voor de Tweede Wereldoorlog had het stadje Edingen nog een overwegend Nederlandstalige bevolking, zoals uit de officiële talentellingen blijkt. Ondanks het toekennen van taalfaciliteiten voor de oorspronkelijk Nederlandstalige bevolking in 1962, verfranste het stadje meer en meer. Edingen is een echt stadje met vele oude huizen (17e, 18e en 19e eeuw).

Park van Edingen

In 1166 stond op deze plaats al een kasteel, dat vernield werd door Boudewijn V van Henegouwen. Begin 13e eeuw werd het herbouwd. Het was graaf Peter II van Saint-Pol die de aan het kasteel grenzende bossen ging ommuren en aanleggen als jachtgebied. In 1606 werd het door Karel van Arenberg gekocht voor 270.000 pond van koning Hendrik IV van Frankrijk. De Arenbergs lieten eerst een kapucijnerklooster bouwen. Tussen 1630 en 1665 lieten de vorsten van Arenberg er verschillende tuinen aanleggen die tot de mooiste van Europa werden gerekend. Anna van Montpensier was bij een bezoek in 1671 erg onder de indruk van de renaissance- en baroktuinen. Ze was in het gezelschap van Lodewijk XIV, die Aat aan het belegeren was en er André le Nôtre liet bijhalen. Hij zou er enkele dagen inspiratie hebben opgedaan voor de tuinen van Versailles. Dankzij de etsen van Romeyn de Hooghe, gemaakt rond 1680, is het toenmalige uitzicht van het park bekend. Er waren fonteinen, waterpartijen, paviljoenen, triomfbogen, standbeelden, een Parnassusberg, een oranjerie, een theater, een maliebaan met herberg, een kunstmatige grot waarin namaakvogels floten enz.

Op een verhoging was een zevenkantig paviljoen gebouwd dat tegelijk Tempel van Hercules en observatorium was. Het uitkijkterras was bereikbaar via een beweegbare trap met windas. Het domein had sterk te lijden onder de Franse revolutie. Op een kaart van 1775 is het nog in volle glorie te zien, maar na de Slag bij Jemappes (1793) werd het geplunderd en sloegen de Arenbergs op de vlucht. Bij hun terugkeer was het kasteel in zodanig slechte staat dat Lodewijk Engelbert van Arenberg het liet slopen, op de Kapelletoren na.

In 1913 werd begonnen met de bouw van het nieuwe kasteel, op de plaats van de vroegere oranjerie. Architect Alexandre Marcel ontwierp een gebouw in Lodewijk XVI-stijl, versierd met Egyptisch houtwerk. Twee vleugels werden aangebouwd in 1926. Het huidige uitzicht van het park is wilder dan vroeger. In het noordoosten is een golfterrein aangelegd.

Paviljoen van de Zeven Sterren

Dit barokke paviljoen werd aangelegd op een centraal punt waar 14 lanen uitwaaierden. De zeven sterren uit de naam verwijzen naar de in die tijd bekende planeten. Het paviljoen ligt in een waterbassin dat door een brug overspannen wordt. Uit deze brug kon via een knappe machinerie een trap tevoorschijn komen naar het dakterras. Van daaruit had men een onbelemmerd uitzicht over de verre omgeving.

Slavenpoort

Deze triomfboog uit ca. 1660 stond eerst op de Patte d’Oie, van waaruit drie grote assen vertrokken. In 1725 werd ze verplaatst naar de ingang van het park.

Kapelletoren

Deze door bomen omringde toren is het enige overblijfsel van het middeleeuwse kasteel. Het huidige uitzicht is van na een verbouwing in 1512 door Filips van Kleef. De zoldering heeft een opmerkelijke houtstructuur.

Erekoer

Rond de Court d’honneur van het oude kasteel staan nog een aantal opvallende gebouwen. In het Archieven- of Hertogenpaviljoen is tegenwoordig het toeristisch bureau ondergebracht. In het Edouard- of Prinsessenpaviljoen huist een centrum over de ecologie van het park.

Chinees paviljoen

Dit was één van de vier paviljoenen op de hoeken van de Fleurontuin. Het is gebouwd in 1657 en kreeg in 1743 een voorkant in Lodewijk XV-stijl en een interieur van Chinees aandoend stucwerk.

Paardenstallen

In het domein zijn ook nog paardenstallen uit 1719 te vinden. Ze zijn drie verdiepingen hoog en bevatten 78 boxen.

Parnassusberg

Deze kunstmatige heuvel is een uit Italië afkomstig element. Op de top stond vroeger een Apollotempeltje. In 1811 werd de in onbruik geraakte schandpaal er geplaatst, die in 1926 gezelschap kreeg van de Romeinse Wolvin.

Waterlopen

Over de waterhuishouding op het domein is goed nagedacht, onder meer door de kapucijn Karel van Brussel, de Bergense kanunnik Munoz en de tuinman D. Mussche. Het water wordt op het hoogste punt verzameld in het bassin rond het grote paviljoen, gevoed door bronnen. Vandaar uit werd de druk voor verschillende fonteinen op peil gehouden, waaronder die in het bekken van de Drie Dolfijnen op het kruispunt van de Ganzevoet. Dit was vroeger in marmer, maar nu van beton.

Het meest bijzondere onderdeel is het grote meer naast de oude Romeinse Chaussée Brunehaut. In het verleden sprak men ook wel van de Reigervijver. Het is 65 bij 800 meter, dubbel zo lang als in de 17e eeuw. De bodem was in die tijd betegeld en in het midden was een nu verdwenen gebouw met een brug ernaartoe. Galeien met zes roeiers hielden er schijngevechten. Op een zomerdag in augustus 1784 wandelde de blinde hertog Lodewijk over het wateroppervlak met koperen “bootschoenen” aan de voeten. Onder het meer loopt de beek Ordu in een houten sifon. Van het kanaal loopt het water verder langs de vroegere stadswallen. De Spiegelvijver is de andere grote waterpartij. Vroeger omringde hij de Motte, het eiland met zijn wonderlijke vogelkooi. In die tijd dreven er gondels over het water en onder de brug. Tussendoor stond hij ook wel bekend Balustervijver, naar de trappen en balustrade die hertog Leopold aan de kasteelzijde had laten aanleggen. Vanaf daar gaat het water naar de verderop gelegen molenvijver. Er is ook een ellipsvormige Eendenvijver en de Dodanevijver met zijn brug.

In het park vind je ook vele standbeelden en een grote rozentuin. De vierkantige tuin in Italiaanse renaissancestijl werd zo getrouw mogelijk heraangelegd met planten uit die tijd. Ook vind je er honderden soorten dahlia’s uit alle hoeken van de wereld.

Kerk en klooster van de kapucijnen (Capucijnenstraat nr. 5)

Voormalige kloosterkerk van de Kapucijnen. Een hallenkerk met vrijstaande west- en zuidgevel; oorspronkelijk in laatgotische stijl gebouwd en in 1958-1960 sterk aangepast. Ooit deel uitmakend van het kapucijnenklooster, gebouwd vanaf 1621 en lag ten zuiden van de kerk. Na uitbreidingen in 1631-1633 en 1648-1660 beslaat het kloosterdomein de volledige oppervlakte van het huidige Mijnplein en de Cirkelstraat en loopt door tot aan de achterhuizen of blinde muren van de Langestraat en ten oosten van de Schippersstraat. In 1797 wordt het klooster opgeheven; het jaar erop werd het domein verkaveld en openbaar verkocht. Binnen is er een rijk, barok interieur met mooie eikenhouten altaren uit de 17de eeuw en communiebank uit de 18de eeuw. Er is een orgel uit 1853, dat beschadigd is tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook zie je veel prachtige schilderijen, zoals de Kruisafneming uit 1621 in het hoofdaltaar en de Hemelvaart van Maria uit 1865. Bijzonder zijn ook de votiefscheepjes en maritieme ex-voto’s ter verering van Antonius, patroonheilige van vissers en zeelui.

Sint-Niklaaskerk

De Sint-Niklaaskerk is de kerk in het centrum van Edingen. Sinds 22 augustus 1947 is het een beschermd monument. In de loop van de geschiedenis werd de kerk verschillende keren vernield, geplunderd of getroffen door brand, en werd even vaak opnieuw gerestaureerd. In 1347 werd het eerste hoofdaltaar van de kerk gewijd. Bij het begin van 15e eeuw brandde de kerk af, en ook na de heropbouw kwamen er nog enkele malen branden voor. In de toren bevindt zich een beiaard met 51 klokken, waarvan de oudste al uit 1566 dateert. Op de gebrandschilderde ramen is onder meer het Sacrament van Mirakel afgebeeld (Brusselse joden doorsteken een hostie, die begint te bloeden).

Pays des Collines

Het gebied werd tot natuurpark (Parc Naturel du Pays des Collines) verklaard op 12 juni 1997. Het park beslaat 23.327 ha. Een parc naturel in Wallonië is te vergelijken met een Nederlands nationaal landschap. Door de officiële erkenning wil men het landschap en de tradities van het Pays des Collines bewaren. Het Pays des Collines richt zich vooral op plattelandstoerisme. Je vindt hier het streekmuseum “La Maison du Pays des Collines”. Aan de hand van multimediapresentaties wordt het verhaal van de streek verteld. In de verschillende zalen worden karakteristieke kenmerken van de regio belicht: het heuvellandschap, de ambachten, de folkloristische tradities, enz. Het Pays des Collines kan namelijk bogen op een levendige folklore; zo vindt in Elzele elk jaar eind juni een “Sabbat des Sorcières” (“Heksensabbat”) plaats. Dit informatiecentrum toont de folklore uit de regio door middel van een audiovisueel parcours van 40 minuten. Het winkeltje biedt lokale ambachtelijke specialiteiten. Ook is het een vertrekpunt voor vele wandelroutes, zoals bijvoorbeeld “Het pad van het Vreemde”, een artistieke wandeling van 6km en van de “Aventures-Jeux” voor het hele gezin.

De sterk heuvelachtige regio bevindt zich tussen Doornik en Brussel, in het gebied tussen de Schelde en de Dender. Het Pays des Collines vormt landschappelijk één geheel met de Vlaamse Ardennen. De beboste heuvelkam die de hoogste toppen van de streek omvat: de Kluisberg (141 m), de Muziekberg (133 m), de Pottelberg (157 m), de Hoppeberg (148 m) en de Rhodesberg (153 m), vormt de (taal)grens tussen de twee gebieden.

L’Écomusée du Pays des Collines

Een reconstructie van een boerderij uit 1950 en een tentoonstelling van gebruiksvoorwerpen vertellen over het leven van toen. De bewegwijzerde “Route des Collines” slingert door het heuvelachtige landschap en laat daarbij de verschillende bezienswaardigheden van de streek zien (ambachtslieden, keramisten, de brouwerij Quintine, kaasboerderijen, de ezelstoeterij “Asinerie du Pays des Collines”).

Maison des Plantes médicinales

Dit didactische museum en zijn tuin nodigen uit tot de ontdekking van geneeskrachtige planten en hun toepassingen. Er is een theehoekje, een winkeltje en een hoekje voor de kinderen. Er vertrekt hier ook een wandeling van 4,5 km.
De streek van Vloesberg in Henegouwen is bekend om haar traditie aangaande geneeskrachtige planten, en dit vanaf de XVIe eeuw. In 1929 telde men nog een totale oppervlakte van 23 hectaren gewijd aan deze cultuur. In velden en moestuinen groeien en bloeien Engelwortel, Roomse Kamille, Kliskruid, Bilzekruid, Heemst, Munt, Valeriaan, Alant, Kaasjeskruid, Koningskaars en papaverkoppen tot halfweg de vorige eeuw.

Hôpital Notre-Dame à la Rose

De Onze-Lieve-Vrouw met de Roos is een godshuis uit de 13de eeuw, een bijzonder historisch en architectonisch erfgoed. Hier vind je een rijke kunst-, farmaceutische en medische collectie. Er zijn ook rondleidingen mogelijk. Het Gasthuis (Frans: Hôpital Notre-Dame à la Rose) is een museum en voormalig ziekenhuis in Lessen. Deze instelling, die in 1242 door de Franse prinses Alix de Rosoit werd gesticht als opvang voor armen en zieken, diende bijna 750 jaar, tot 1980, als ziekenhuis en daarna als bejaardentehuis. Tegenwoordig vind je in de kloostergebouwen, uit de 16de tot 18de eeuw, een museum over de eigen geschiedenis. Er zijn ziekenzalen, bedden, medische instrumenten, recepten, tinnen vaatwerk (voor de patiënten), Doorniks porselein (voor de zusters), een bibliotheek met 2000 antieke boeken, schilderijen en kostbaar goud- en zilversmeedwerk te zien. Bij het complex horen bovendien een kloostergang, kapel, kruidentuin en ijshuis. Er is apotheek en een kapel te bezoeken. Lessen stond bekend om zijn porfier, een gevlekte, donkerrode steensoort die als architectonische decoratie diende. De groeves kunnen bezocht worden. Het vierhoekig hoofdgebouw omsluit een binnentuin die op zijn beurt omringd wordt door de kloostergangen. Deze vormen de belangrijkste assen waarlangs je naar het geheel van de museumzalen worden geleid.

Brugelette

Château d’Attre

Het Kasteel van Attre is een elegant herenhuis uit de 18de eeuw. In een typische neoklassieke stijl is het één van de weinige Belgische kastelen die het interieur en de meubels uit de vorige eeuw heeft behouden. Het kasteel werd in 1752 gebouwd door graaf Francois-Philippe Franeau van Hyon, graaf van Gomegnies, op de fundamenten van een ander ouder kasteel. Het interieur is in Louis XV-stijl.
Er werden veel jachtpartijen in de omliggende bossen gehouden. Een kunstmatige rots, met aan de bovenkant een paviljoen, dient als observatiepunt.

De hal (ingang) heeft een grote trap van architect Jacques-François Blondel. Je ziet hier veel kunstwerken waaronder stillevens van Frans Snyders en schilderijen van Hubert Robert. Ook zie je prachtige wanddecoratie, zoals behang. Het kasteel is open voor publiek van 1 april tot 1 november op zondagmiddag (14u-18u). Tijdens de zomermaanden juli en augustus geopend op zaterdag en zondag (13 – 18 uur).

Ath/Aat

Aat is bekend om zijn jaarlijkse Reuzenstoet, die elke vierde zondag van augustus plaatsvindt. De stad Aat werd in 1166 gesticht en groeide uit tot een belangrijk regionaal centrum, waarvan de bloei en de uitstraling voortduurde tot het einde van de 16e eeuw. Graaf Boudewijn IV van Henegouwen liet het Kasteel Burbant (castrum) bouwen, een vestingtoren die er nog steeds bestaat. Aan de voet van deze beschermende vesting stichtte hij ook een nieuwe stad, waaraan hij een aantal privileges toekende met de bedoeling bewoners aan te trekken. Zijn zoon en opvolger Boudewijn V bouwde een grote stadsomwalling in het kader van zijn strijd tegen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant. Omstreeks 1320-1325 werden deze ringmuren verstevigd. Er werd een lakenweverij gevestigd. Omstreeks 1370 had graaf Albrecht van Beieren een tweede omwalling laten graven, waardoor de stedelijke verdedigingsgordel verdrievoudigd werd. Hierna ondergingen de wallen tot de 17e eeuw geen veranderingen meer. Het onderhoud werd echter verwaarloosd, en toen de troepen van Lodewijk XIV in 1667 de stad belegerden, kon deze slechts één dag aan de vijandelijke artillerie weerstand bieden. Vauban verbeterde de versterkingen van Aat, als eerste Franse stad in de Spaanse Nederlanden.

Onder het Franse bewind kwam de stedelijke economie langzaam tot verval. Aat werd een tweede maal door de Fransen verwoest in 1745, en vervolgens onder koning Willem I opnieuw hersteld, zodat de stad in de 19e eeuw weer kon opbloeien, door de vestiging van nieuwe industrieën, onder meer meubelmakerijen en de ontginning van steengroeven in de buurt. Twee wereldoorlogen maakten alweer een einde aan deze welvaart. Ga langs bij de reus Aat en slenter door de winkelstraatjes om op de Grote Markt wat te eten en te drinken. Ook vind je hier een prachtig stadhuis in late renaissancestijl. Het Reuzenhuis vertelt het ontstaan van de beroemde Ducasse-feesten, 500 jaar oud en erkend als UNESCO-erfgoed.

De Burbant-toren

Een massieve toren van bijna 20 meter hoog en 14 meter breed met 4 metersdikke muren maken van de Burbanttoren een heel belangrijke militaire versterking. Hij was van groot strategisch belang voor Boudewijn IV, graaf van Henegouwen, die in 1166 start met de bouw van deze machtige donjon. De toren is het centrum van het middeleeuws kasteel. Hij wordt omgeven door verschillende gebouwen (woningen, werkplaatsen, enz.), die de hoge hof vormen. Een neerhof, beschermd door zware vestingmuren en een slotgracht maken het geheel af. Er kwamen boerderijen en dankzij de aanleg van een markt kon er handel worden gedreven. Het gehucht werd beschermd door een ommuring. Kerken, ziekenhuizen, hallen, scholen werden opgericht om er een echte stad van te maken. Bovenop de donjon heb je een mooi uitzicht over de huidige stad.

Sint-Julianuskerk

De Sint-Julianuskerk is een kerkgebouw toegewijd aan Julianus van Brioude. De kerk werd tussen 1394 en 1414 gebouwd. Van deze kerk rest nu alleen nog de toren en het onderste gedeelte van het koor. Een onweer op 27 maart 1606 verwoestte de torenspits. De toren, inclusief spits die niet opnieuw werd gebouwd, was 90 m hoog. Na een brand in 1817 werd de kerk heropgebouwd in neoclassicistische stijl (met uitzondering van de toren en het onderste deel van het koor). In de kerk hangen schilderijen van Lambert Mathieu en Jean-Baptiste Ducorron.

Gallo-Romeins museum

De boten en de archeologische collecties die in het Gallo-Romeins Museum worden tentoongesteld, komen uit een uitzonderlijke ontdekking in Pommeroeul in 1975. De boten zijn de enige antieke vaartuigen die tegenwoordig nog bewaard zijn in België. De scheepswrakken zijn van internationale wetenschappelijke waarde en zijn getuige van de Gallo-Romeinse scheepsarchitectuur en binnenvaart. De schepen hebben indrukwekkende afmetingen (het binnenvaartschip, dat bewaard wordt op 12,7 meter, was bijna 18 meter lang en de prauw 9,7 meter) en bestaan uit houten elementen (voornamelijk eik) die met spijkers aan elkaar bevestigd worden. De archeologen vonden in Pommeroeul ook veel sporen van het vroegere leven in de agglomeratie: duizenden scherven keramiek, voorwerpen uit hout, leder, glas en metaal, werktuigen, juwelen. Deze worden nu in het museum tentoongesteld. Je krijgt extra uitleg bij de voorwerpen en ze worden tot leven gebracht met behulp van interactieve technieken, foto’s, tekeningen, maquettes en teksten.

Archéosite et Musée d´Aubechies/Beloeil

Dit is het grootste park met archeologische reconstructies van België. Prehistorische woningen, villa, necropool, tempel en Gallo-Romeinse boot, museum over oude religies. Elk huis stemt overeen met een belangrijke periode van de menselijke evolutie, vanaf de prehistorie tot het Romeinse tijdperk. Wandel door dit openluchtmuseum en ontdek in de verschillende woningen tal van voorwerpen uit het dagelijkse leven van vroeger. Het Gallo-Romeinse deel bestaat uit een reconstructie van het heiligdom van Blicquy, een schuit en een villa. Willen je kinderen graag weten hoe de prehistorische mens een huis bouwde, wat de Galliërs aten of hoe de Romeinen hun zwaarden maakten? Breng dan een bezoek op zondagnamiddag tijdens het toeristische seizoen (vanaf half april tot half oktober). Ambachtslieden geven verschillende demonstraties en beantwoorden alle vragen van jong en oud. In de boetiek kun je een aantal van hun producten kopen (Keltische juwelen, enz.). Ook is er een speelplein en eetgelegenheid voor snacks.

Château de Beloeil

Het kasteel dateert uit de late middeleeuwen en is opgebouwd rondom een centrale erekoer. In de 17de eeuw gaf de Prins de Ligne de opdracht het kasteel te verbouwen tot een barok symmetrisch kasteel. Kosten noch moeite werden gespaard om het naar Frans voorbeeld om te vormen. Het moest de macht en de status van de prins de Ligne versterken. De gracht en de waterpartijen werden gegraven in Franse stijl. Van 1773 tot 1775 werd er een Engelse tuin aangelegd. Enkele jaren later wisten het kasteel en zijn eigenaars te ontsnappen aan de Franse Revolutie, waardoor het uitstekend bewaard bleef. In het kasteel vind je meubels uit de prinselijke verzameling en waardevolle kunstvoorwerpen uit de 15de tot en met de 19de eeuw. Bijzonder is de bibliotheek met 20.000 boeken. Het kasteel heeft schilderijen en portretten van Franse koningen en familie-erfgoed. Het interieur geeft een sfeervol beeld van de manier van leven van de hoogste adel. De salons werden actief bewoond tot de vorige eeuw. Het kasteel werd tijdens de Tweede Wereldoorlog door Eugène II de Ligne gebruikt als opvangcentrum voor arme kinderen. Met de inkomsten van de bezoekers wordt het kasteel onderhouden en beheerd. Naast het kasteel is een grote Franse tuin aangelegd, omringd door een vierkante gracht. Het park (25 hectare) is een voorbeeld van oude Franse tuinarchitectuur en Engelse tuinarchitectuur. De Franse tuin is te bezoeken, het Engelse gedeelte is privé. Het kasteel werd ook wel het kleine Belgische Versailles genoemd vanwege de rijkelijk gemeubileerde en gedecoreerde zalen. Er is een rondritje door het park mogelijk met een treintje.

Lees ook

Astrid