Veere is een historische stad op Walcheren ten noorden van Middelburg, aan het Kanaal door Walcheren en aan het Veerse Meer. De stad is rijk geworden door een intensieve handel en samenwerking met Schotland. Daardoor is er veel te zien in dit kleine plaatsje. Verder ligt het prachtig aan het Veerse Meer en is er dus veel watersport mogelijk. Ook is er natuur en strand dichtbij. Via de plaatselijke VVV kun je verschillende stadswandelingen maken met allerlei thema’s. Ook ik vertel je hier wat er allemaal voor moois te zien is. Je kunt hier niet met de trein naar toe, het dichtstbijzijnde station is Middelburg. Er gaat wel een bus. Eind september 2020 was ik op vakantie in Middelburg en ging ik op de fiets naar Veere. Dat is een mooie tocht, dus zeker een aanrader. 

Bezienswaardigheden Veere

Grote Kerk

De Grote Kerk (of Onze-Lieve-Vrouwekerk) is een laatgotische kruisbasiliek. De in 1342 gestichte kerk was gewijd aan Onze-Lieve-Vrouwe-ter-Sneeuw en werd in 1472 onder Wolfert V van Borselen een kapittelkerk, met twintig kanunniken. Naast deze koorheren waren er vijf kapelaans, een Cantor en drie koorzangers aan de parochie verbonden. De nieuwbouw werd vanaf 1479 geleid door de Vlaamse bouwmeester Antoon I Keldermans. Na 1520 werden de Heer van Veere en zijn familieleden niet langer in de kapel van kasteel Sandenburgh maar in een grafkelder in de Grote Kerk begraven. Priesters werden in een priestergraf in het koor begraven en voor wie genoeg geld bezat werd een graf of een grafkelder onder de vloer van de kerk gereserveerd. De graven waren een belangrijke bron van inkomsten voor de kerk. Voor anderen waren er graven op het kerkhof rond de kerk.

Na 1521 werden alle bouwactiviteiten gestopt: dus kwam het geplande stenen netgewelf niet tot stand: de kerk hield een houten zoldering. De zware, ingebouwde westtoren bleef bij één geleding steken. De kerk werd in 1572 voor de protestantse eredienst ingericht. De hervormden lieten een muur tussen schip en transept bouwen. Zij hielden geen processies binnen de kerk en verzamelden zich rond een nieuwe preekstoel in de middenbeuk.

Omdat de enorme kerk voor het kleine stadje veel te groot was, werd het gebouw opgedeeld. Schip en transept werden in het vervolg de “Grote Kerk” genoemd. Het transept en de zijbeuken met de nu ontmantelde gildekapellen werden wandelkerk zonder religieuze functie. De begrafenissen onder de vloer zullen zijn doorgegaan en veel geld hebben opgebracht voor de kerkmeesters. De middenbeuk werd de zondagse preekkerk: daar stonden kerkbanken rond een preekstoel.

De “Kleine Kerk” in het koor werd in drie delen opgesplitst: de noordbeuk werd verhuurd als opslagplaats van de handelsgoederen in afwachting van een Schotse voorganger. De protestantse Schotten kregen na 1613 een dominee en een eigen afgescheiden gebedsruimte. De Franstalige Waals-gereformeerden kerkten op zondag in de Kleine Kerk. Iedere middag in de week was daar een middagdienst van de Nederduits Hervormde Gemeente. De lutheranen kwamen bijeen in de derde beuk van de Kleine Kerk.

De kerkschatten zijn grotendeels verloren gegaan. Ten tijde van de reformatie bevatte de inventaris koperen wijwatervaten, koperen kandelaars, zilveren kandelaars, kroonluchters, gildekapellen, biechtstoelen, wijdingskruisen, een koperen koorhek, een aan Maria gewijd hoofdaltaar van marmer met beelden van knielende engelen, een kooraltaar met een relikwie van de H. Perpetuus van Milaan in een zilveren reliekschrijn in de vorm van zijn schedel en een geschilderd drieluik door Anthonis Janszoon van der Goude. Van al deze roomse versieringen is vrijwel niets bewaard gebleven. Het zilver en het liturgisch vaatwerk van de kerk werd in 1572 in Dordrecht verkocht. De kroonluchters werden aan de Sint-Catharinakerk in Brussel verkocht waar zij ook nu nog hangen. Het koorhek werd verwijderd. De roomse geestelijken moesten, voor zover zij niet protestants werden, vluchten naar de Zuidelijke Nederlanden. Op 25 mei 1686 woedde een grote brand in het schip van de kerk. Onvoorzichtige loodgieters veroorzaakten brand en de gehele kap van de kerk werd verwoest. Ook de vieringtoren boven de kruising en de vierkante houten torenopbouw met de daaronder hangende klokken gingen verloren. De brandende balken storten neer op de kerkvloer. Grafstenen en monumenten gingen daarbij verloren. De daken werden daarop zo eenvoudig mogelijk hersteld. Men sloopte de spitse opbouw van het koor om een eenvoudiger en platte dakconstructie te kunnen timmeren.

In 1800 ontstond veel schade aan de kerk door een zware storm. In 1809 werd de kerk gebombardeerd door de Britse vloot. De Britten wilden het strategisch belangrijke Walcheren veroveren en zij slaagden er op 2 augustus 1809 in om Veere in handen te krijgen na een bombardement van twee dagen vanuit zee. De kogels die van de schepen werden afgevuurd zijn in enkele muren nog steeds te zien.

Waar ooit grote vensters zaten zijn deze later in kleinere verdeeld, toen de kerk als militair hospitaal dienstdeed en ze in verdiepingen verdeeld werd. Na het vertrek van de Fransen nam de Nederlandse Staat de kerk, met uitzondering van het koor, over en herbouwde dat tot een bedelaarsgesticht, maar in 1839 weer tot hospitaal. De Grote Kerk was van 1823 tot 1827 het onderkomen van landlopers, weeskinderen en dronkenlappen die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien. Men liet de inwoners zadels maken, weven en spinnen. Een dominee gaf godsdienstonderricht.

Na 1815 mocht er niet meer in kerken worden begraven. Daarmee vielen veel inkomsten voor de kerkmeesters weg en dat bemoeilijkte het onderhoud van de kerken. De twee beuken waren voor de lutheranen te groot en te kostbaar in onderhoud en in 1835 werd de noordbeuk verkocht aan Jacob Sonius, metselaar in Middelburg. Deze zakenman kon de stenen goed gebruiken en hij liet het bijna driehonderd jaar oude bouwwerk in 1837 slopen.

Dat het gebouw als een belangrijk monument werd beschouwd zorgde ervoor dat het gebouw behouden bleef maar een waardige bestemming kreeg het grootste deel van de kerk niet. Het schip van de kerk werd in de loop van de 19e en 20e eeuw gebruikt als stal, overdekt voetbalveld, opslag van een aannemer en een houthandel, feestzaal, militair hospitaal en na de watersnoodramp van 1953 als noodstal voor het geredde vee. Pas in de jaren 70 van de 20e eeuw kreeg de kerk een culturele bestemming. Men plaatste glazen tochthallen en moderne toiletgroepen in het kerkgebouw.

De Kleine Kerk in het koor is nog steeds in gebruik voor de eredienst door de Protestantse Kerk in Nederland. De toren mag tegenwoordig tegen betaling beklommen worden en in de kerk wordt van alles georganiseerd.

Meer informatie vind je hier.

Stadhuis van Veere

Het Stadhuis van Veere is uit de vijftiende eeuw met de prachtige voorgevel; de toren met het klokkenspel komt uit het einde van de 16e eeuw. Het carillon is verkozen tot één van de mooiste van Nederland. De raadzaal is op de eerste verdieping. Hier hangt o.a. de stamboom van het huis van Oranje‑Nassau, geschilderd in 1936 door jonkheer A.W. den Beer Poortugael. Het is een laatgotisch gebouw met in de gevel beelden van de vier heren en drie vrouwen van Veere. Op de begane grond bevindt zich de ‘De Vierschaar’, hier werd tot 1811 rechtgesproken door het stadsbestuur. Tegenwoordig is het de oudheidskamer met onder andere de zilveren beker van Maximiliaan van Bourgondië.

Hendrik IV van Borsele, Heer van Veere, gaf opdracht voor de bouw van het Stadhuis. De bouw van het huidige stadhuis begon in 1474. Het werd in 1477 voltooid. Het carillon telt vandaag de dag 47 klokken. Driemaal per jaar worden de melodieën van het automatische spel verstoken op de speeltrommel. De muziekkeuzes voor dit automatische gedeelte zijn altijd oude versjes, psalmen of kerkliederen, waarbij er meestal één lied is dat voorkomt in de bundel van geuzendichter Adriaen Valerius (ca. 1570-1625), omdat deze in Veere heeft gewoond. De speeltrommel speelt tweemaal per uur op het hele en halve uur, waarna de slagen voluit volgen op de kombel op het hele uur en op het halve uur de halfuurklok. Dit gaat dag en nacht door sinds de ingebruikname in de 16e eeuw. De gewichten die de speeltrommel aandrijven, worden met een motor automatisch opgewonden.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn ondanks de klokkenvorderingen de klokken blijven hangen. In 1907 is tijdens de 2e Haagse Vredesconferentie bepaald dat het niet toegestaan is historisch waardevolle kunstvoorwerpen in vijandelijk gebied in beslag te nemen.
Museum Veere is gevestigd in het Stadhuis en heeft een vaste tentoonstelling van verschillende kunstwerken en de zilveren beker van Maximiliaan van Bourgondië. Ook zijn er jaarlijks wisselende exposities te bewonderen. De Vierschaar op de begane grond laat zien hoe in de Middeleeuwen recht werd gesproken.

Schotse Huizen aan de Kaai

De Schotse Huizen aan de Kaai, zijn in de 16e eeuw gebouwd door rijke Schotse kooplieden. Deze twee huizen met de namen, “Het Lammeken” en “In den Struys”, bieden sinds 1950 onderdak aan het Museum ‘De Schotse Huizen’.

Museum De Schotse Huizen is een historisch museum met beeldende kunst, streekdracht en interieur verbonden met de historie van de stad. Het bevat onder meer een Schotse Kamer die is ingericht in de vorm van een ontvangstruimte en kantoor van de zogeheten Conservator van de Schotse stapel in Veere, exposities van streekdrachten en afwisselende exposities van en over de internationale Veerse kunstenaarskolonie (1870-1970) en/of aan Zeeland en Walcheren gerelateerde beeldende kunstenaars uit heden en verleden, zoals de Veerse Joffers. De panden van het museum herinneren aan de eeuwenlange handelsbetrekkingen tussen Veere en Schotland. Veere werd stapelplaats van Schotse wol dankzij de Schotse Koning Jacobus I, wiens dochter trouwde met Wolfert van Borssele, heer van Veere. Dit feit staat centraal in de collecties van het museum.

De huizen “Het Lammeken” en “De Struijs” aan de Kaai zijn oorspronkelijk als elkaars spiegelbeeld gebouwd. De rijke Engelse verzamelaar Albert Ochs (1857-1921) kocht in 1896 “De Struijs” voor 1200 gulden. Veel is er verbouwd aan het interieur en exterieur van “De Struijs”. Zijn dochter Alma Francis Oakes (1889-1987) verzamelde meubelen, porselein en Zeeuwse streekdracht. Zij schonk het huis en de verzamelingen in 1947 aan de Staat der Nederlanden onder de voorwaarde dat het als museum geëxploiteerd zou worden. Samen met het historische stadhuis aan de Markt vormen De Schotse Huizen nu het Museum Veere. In 1963 stond “Het Lammeken” model voor het 22e Delfts blauwe huisje van KLM.

In de beeldenzaal van “Het Lammeken” staan de beelden van de heren en vrouwen van Veere opgesteld. Verder toont het museum de handelsbetrekkingen tussen Schotland en Veere, in relatie tot de maritieme geschiedenis van de stad. Er is aandacht voor streekdrachten van Walcheren. Aan de orde komt ook Veere als beroemde kunstenaarskolonie en de stimulerende rol van Ochs en Oakes, die goede relaties onderhielden met veel (inter)nationale kunstenaars die kortere of langere tijd in de stad verbleven en werkten.

Meer informatie vind je hier.

Campveerse Toren

De Campveerse Toren, gebouwd als een deel van de stadsverdediging rond 1500; vanaf de 16e eeuw deed de toren dienst als herberg en kustlicht. Het is tegenwoordig één van de oudste nog bestaande herbergen in Nederland. De Campveerse Toren bestaat uit de vestingtoren en twee later aangebouwde vleugels. De vleugels staan haaks op elkaar. De toren is aan de waterzijde halfrond en staat gedeeltelijk in het water, de vensters in dit deel van de toren zijn niet origineel. De toren bestaat uit speklagen van wit natuursteen, afgewisseld met lagen van baksteen. Aan de voorzijde van de toren is een vlakke trapgevel gebouwd, op zes treden zijn hoog opgemetselde stervormige pinakels geplaatst. De vensters in deze gevel zijn wel origineel. De vensters zijn in het gebouw geplaatst toen het werd verbouwd tot herberg. De twee vleugels zijn niet van gelijke lengte, de korte vleugel is langs het water gebouwd, de lange vleugel is rond 1700 aangebouwd en hotelkamers. Aan de toren hangt een kaak van een walvis. Het bot werd in november 2018 van de plek gehaald, omdat deze te veel door mossen werd aangetast. Het bot werd rond 1740 opgehangen als waarschuwing aan het stadsbestuur dat de burgers de eigenlijke macht hebben. De gelagkamer bevindt zich op de eerste verdieping in de toren. De ruimte is door middel van een stenen trap te bereiken. In de kamer bevindt zich nog een van de twee grote schouwen. Op de tweede verdieping bevindt zich de torenkamer, deze is te bereiken met een eikenhouten trap. Onder het gebouw is een kelder met koepelgewelf aangebracht.

De Molen, genaamd “De Koe”

De Koe is een korenmolen aan de Warwijcksestraat aan de rand van Veere. Het is een ronde, uit baksteen opgetrokken stellingmolen uit 1909 en in de Zeeuwse traditie gewit. De molen is gedekt met zink en heeft een vlucht van 23,50 meter. Het is een beeldbepalende molen die van alle kanten goed zichtbaar is gelegen. De Koe is maalvaardig. De molen is gebouwd op een plaats waar eerder een grondzeiler uit 1736 stond die door brand werd verwoest.

Mijnenmagazijn

Het Mijnenmagazijn of Mijnendepot is een voormalige opslag van zeemijnen van de Koninklijke Marine gelegen aan de Buitenhaven. Het bouwwerk dateert uit 1916. Het is als één geheel gegoten uit beton. Op dit moment heeft het gebouw geen bestemming en staat daarom leeg. Het is een rijksmonument.

Rond de Eerste Wereldoorlog waren zeemijnen of verspermijnen in opkomst als een modern wapen. Zeegaten konden ermee afgesloten worden voor de vijand. Dit gold ook voor het nabijgelegen Veerse Gat. Vlak na de Eerste Wereldoorlog schreef het ministerie van Marine een opdracht uit voor het bouwen van een opslagplaats en onderhoudswerkplaats voor zeemijnen. Als locatie werd het beschutte Kanaal door Walcheren gekozen en niet de zeearm van het Veerse Gat. Op 17 mei 1940 werd het samen met het aan de overkant gelegen marinevliegkamp Veere veroverd door de Duitsers. Zij zouden beide complexen in de oorlog gebruiken als eigen marinesteunpunt. Na de Tweede Wereldoorlog verloor het gebouw zijn oorspronkelijke functie en werd het een algemene opslaglocatie voor Defensie.

Het complex bestaat uit de betonnen hoofdbouw (het eigenlijke mijnenmagazijn), een kantinegebouw voor het personeel een E-vormige aanlegsteiger en twee bunkers.

Het is van architectuurhistorisch belang omdat het een vroeg voorbeeld is van construeren in beton. Verder is de massieve, functionele vorm bijzonder en is de oorspronkelijke bestemming vrij zeldzaam. Het gebouw vertoont veel betonrot en is aan onderhoud toe. Er wordt gedacht over herbestemming van het complex en de gemeente denkt momenteel na over verkoop.

Zilveren schor

Het “Zilveren schor” en aansluitend gebied ligt ten zuidoosten van Veere aan de westrand van het Veerse Meer. Na afsluiting van het Veerse Gat in 1961 zijn ze drooggevallen en bebost. Naast de bossen met bomen als populieren, abelen, eiken en beuken, zijn er snippers kreekresten met riet- en ruigteopslag en ligweiden. Een gedeelte is in gebruik als scoutingcentrum en voor watersportactiviteiten.

In de bossen komen reeën voor en in de aangrenzende polders zijn hazen een normale verschijning. In de bossen zijn spechten en typische bosvogels als tuinfluiter, zwartkop, merel en zanglijster, tjiftjaf en koolmees talrijk. Opvallend is het voorkomen van de wielewaal in het zuidelijk gelegen populierenbos. De laatste jaren zijn ook de buizerd en de havik succesvolle broedvogels. In het struikgewas direct aan het Veerse Meer zijn ‘s zomers bosrietzanger, grasmus en kleine karekiet en in de winter rietgorzen en baardmannetjes aanwezig. Hier huist ook de bruine kiekendief.

Rondvaart Veerse Meer

De rondvaart vanuit Veere op het Veerse Meer gaat langs prachtige natuureilanden, langs de “Goudplaat” waar de wilde paarden verblijven. De rondvaarten vinden dagelijks plaats vanaf april t/m september met het moderne dagpassagiersschip “Stad Veere” en vertrekken vanaf de steiger Campveerse Toren te Veere, elk uur, waarvan de eerste om 11.00 uur ’s ochtends. De laatste vindt plaats om 17.00. De duur van de vaartochten zijn één of 2 uur. Ook in de herfstvakantie zijn er rondvaarten vanuit Veere.

Meer informatie vind je hier.

Een stukje geschiedenis

Veere begon in de 13e eeuw als havenplaats Kampvere of Ter Veere. Dit vind je in een oorkonde uit 1282, waarin Wolfert van Borsele en zijn vrouw Sybille een aantal van hun bezittingen opdragen aan de vrouw van graaf Floris V, gravin Beatrix. Deze bezittingen waren onder meer kasteel Zandenburg, een watermolen, een molenwater, een haven met recht op havengeld, de havendijk en alle percelen tot 50 roeden vanaf de havendijk. In de 14de eeuw waren er al Italiaanse bankiers in Veere, waardoor we weten dat er al handel werd gedreven. Later, in de 15e eeuw wordt Veere stad genoemd, met het bijbehorende stadsrecht. Wolfert VI van Borselen trouwde in 1444 de Schotse koningsdochter Mary Stuart, dochter van Jacobus I van Schotland. Doordat het in 1541 de stapelplaats van Schotse wol in de Nederlanden werd, kwam de plaats tot grote bloei. Het stapelcontract, een verdrag tussen keizer Karel V, heer der Nederlanden en de Schotse koning leidde tot de vestiging van een grote Schotse kolonie in de kleine havenstad. In 1600 waren 300 van de 3000 inwoners Schots en zij bezaten in hun “lord conservator”, een door de Schotse koning benoemde bestuurder, een eigen notaris, ouderling, politieagent en rechter. In de Tachtigjarige Oorlog werd Veere Spaansgezind, tot in 1572 op 4 mei een groep geuzen voor de poorten stond en de Inname van Veere binnen een dag een feit was. De Schotten waren in een bijzonder privilege vrijgesteld van de accijnzen op bier en wijn en mochten van 1613 tot 1795 in een eigen herberg aan de Wijngaardstraat goedkoop drinken. Er was ook een Schotse, presbyteriaanse, kerk waarin de rite van de Schotse staatskerk werd gevolgd en in het Engels werd gepreekt. Men handelde in Schotse wol. De schepen brachten dakpannen, laken, tuinbouwproducten en wapens terug naar Schotland. Tijdens de Bataafse Republiek werd Veere in plaats van handelsstad weer een (arme) vissershaven.

Lees ook

Astrid
Latest posts by Astrid (see all)