Eerder schreef ik al over de stad Weimar en wat je daar allemaal kunt zien en doen. Maar in de omgeving van Weimar is ook van alles te zien. Verschillende kastelen en een voormalig concentratiekamp uit de Tweede Wereldoorlog. Allemaal binnen een paar kilometer om Weimar heen. Ik vertel jullie er hieronder meer over.

Schloss Belvedère

Het Belvedère kasteel ligt vier kilometer ten zuiden van Weimar. Het kasteel is te bereiken via de Belvederer Allee, die rechtstreeks vanuit het stadscentrum naar de Eichenleite leidt. Je kunt er ook met een bus vanaf het station naar toe. De Belvedère is één van de mooiste residenties in Thüringen. Het gehele complex, inclusief het park met zijn vele exotische planten, werd in 1998 op de lijst van UNESCO-werelderfgoed gezet.

Het gele kasteel heeft een centraal gebouw met een kleine uitkijktoren en twee zijpaviljoens met koepels. Het staat aan de zuidkant van een rond plein met fonteinen en symmetrisch geplaatste “Kavaliershäuser”. Tegenwoordig heten die Beethovenhaus en Bachhaus in het oosten, en Mozarthaus en Haydnhaus in het westen. Binnen zie je Delfts blauwe tegels, met typisch Nederlandse motieven zoals zeilschepen, windmolens, enz. Dit komt uit de late 19e eeuw. Er is veel aardewerk uit vroegere tijden te zien op de Belvedère, ook uit de regio.

Het barokke paleiscomplex werd tussen 1724 en 1744 gebouwd als residentie voor hertog Ernst August I van Saksen-Weimar en was één van de belangrijkste van zijn twintig jacht- en plezierpaleizen. Van 1806 tot 1853/59 was het een representatieve zomerresidentie voor het prinselijke huis Weimar.

Tegenwoordig is het kasteelgebouw na uitgebreide renovatiewerkzaamheden weer open voor bezoekers. In het kasteel werd het Rococomuseum gevestigd met belangrijke schilderijen en portretten uit de 17e, 18e en vroege 19e eeuw. De collectie richt zich op prachtige glazen, porselein, aardewerk en meubels.

Meer informatie vind je hier.

Schlosspark met Orangerie

Het paleispark werd gebouwd tussen 1728 en 1748 als een representatieve, barokke tuin in Franse stijl rond het kasteel. Direct achter het kasteel was een stervormige dierentuin en een oranjerie werd gebouwd in het oostelijke deel van het park. De oranjerie werd afgerond in barokstijl in 1750. In 1760 volgde het Lange Huis en in 1808 werd het ensemble van de Oranjerie uitgebreid tot het Nieuwe Huis.
Na 1758 verdween geleidelijk de symmetrische tuinstructuur. Enkele tuinen rondom het kasteel werden verwijderd en ook enkele gebouwen verdwenen. Vanaf 1811 werd het een Engels landschapspark met tal van architecturen en decoratieve plekken in het hellingsgebied. Voor zijn vrouw, de dochter van de tsaar, Maria Pavlovna, liet Carl Friedrich 1811 tot 1815 de Russische tuin ontwerpen, waaraan in 1823 een klein haagtheater en 1843 het doolhof werden toegevoegd, dat grenst aan de arcade. De Russische tuin is een miniatuurreplica van de tuin in de zomerresidentie van de tsaar in Pavlovsk. De ommuring van het kasteelpark werd uiteindelijk verwijderd in 1844/45, waardoor de overgang naar het aangrenzende bos mogelijk werd.

De Oranjerie, die oorspronkelijk alleen was bedoeld om mensen te ontvangen, kreeg bekendheid vanwege de plantencollecties rond 1820 als Hortus Belvedereanus. Johann Wolfgang von Goethe en groothertog Carl August waren vaak voor wetenschappelijke studies en botanische experimenten in de kassen van Belvedère. Tussen 1818-1821 werd de Rode Toren gebouwd naast het Lange Huis. Vanaf hier heb je een mooi uitzicht over de omgeving. Tot het midden van de 19e eeuw was het park een romantisch landschapspark met water en grotfaciliteiten, monumenten en ruïnes.

In 2004 werd een uitgebreide restauratie van de tuinen voltooid. In de Orangerie en het Gärtnerhaus vind je exotische planten, die in de zomer buiten staan en een mediterrane sfeer geven aan het hele complex. Een historische kanaalverwarming zorgt voor de juiste temperaturen in de winter.

Meer informatie vind je hier.

Wielandgut Oßmannstedt

Ongeveer tien kilometer ten oosten van Weimar ligt Oßmannstedt, het dorp waar Christoph Martin Wieland van 1797 tot 1803 werkte en woonde met zijn vrouw en kinderen. Het landhuis en het park werden tussen 1757 en 1762 gebouwd. Tussen 1762 en 1775 gebruikten hertogin Anna Amalia en haar zonen het landgoed als zomerresidentie. Wieland kocht het landgoed in 1797. Hier schreef hij bijvoorbeeld de romans Agathodämon (1799) en Aristipp. In mei 1803 werd het landgoed verkocht aan de Hamburgse koopman Christian Johann Martin Kühne. Het landgoed werd verdeeld door de landhervorming in de late jaren 1940, de boerderijgebouwen en de omtrekmuur verdwenen en de boerderij werd een school. Tussen 1968 en 1974 en tussen 2003 en 2005 werd het complex gerestaureerd.

Sinds 2005 is hier een multimediaal museum over zijn leven en zijn werk. Je ziet er meubels en interieurs met zijn bezittingen, sculpturen, schilderijen, grafische afbeeldingen en boeken. Ook is er een onderzoekscentrum en een educatief centrum. Wieland was een belangrijke schrijver in de periode van “Weimar Klassieken”.

In het park ligt het graf van Wieland en zijn vrouw. Ook Sophie Brentano rust hier. Zij was een jeugdvriend en tijdelijke verloofde van Wieland. Zij werd ernstig ziek tijdens haar tweede bezoek in 1800 en stierf. Zij wilde graag hier begraven worden. De driezijdige obelisk bij de graven is speciaal gemaakt door Wieland. Ook staat er in het park een buste van Wieland.

Meer informatie vind je hier.

Schlosspark Ettersburg

Kasteel en park Ettersburg vind je op de Ettersberg (474 m), een lange heuvelrug ten noorden van Weimar. Sinds 1998 behoort het tot het UNESCO Werelderfgoed. Kasteel Ettersburg is één van de grootste jachtkastelen in Thüringen. Hertog Wilhelm Ernst van Saxen-Weimar, die graag jaagde in de bossen van de Ettersberg, liet het kasteel tussen 1706 en 1712 bouwen als een eenvoudig gebouw. In 1722 voegde hij er een nieuw kasteel met drie verdiepingen aan toe. Zijn neef en opvolger Ernst August liet het kasteel herbouwen. Hertogin Anna Amalia gebruikte het kasteel tussen 1776 en 1780 als zomerresidentie. Hier ontmoette zij haar literaire en muzikale cirkel, met Wieland, Goethe, Herder, de verteller Johann Karl August Musäus en de actrice Corona Schröter. Vanaf 1780 verhuisde deze zomerresidentie naar Schloss Tiefurt, waar het landgoed was herbouwd. Daarna werd het kasteel van Ettersburg slechts af en toe bezocht. Friedrich Schiller heeft er in 1800 zijn werk over Maria Stuart geschreven.

In 1842 trouwde Carl Alexander met de Nederlandse prinses Sophie. De buitentrap in het Nieuwe Paleis was een huwelijkscadeau van de Nederlandse koninklijke familie. Ettersburg werd de grootse hertogelijke zomerresidentie en ontving in de daaropvolgende jaren bekende gasten zoals Hans Christian Andersen, Emanuel Geibel, Friedrich Hebbel, Franz Liszt en anderen. Er kwam een park in de stijl van een Engelse landschapstuin.

In 1918 werd het kasteel Ettersburg eigendom van de deelstaat Thüringen. Vanaf 1923 werd Ettersburg verhuurd door Alfred Andreesen en 30 jaar geleid door Hermann Lietz als de Hermann Lietz School van de Stichting “Duitse plattelandseducatiehuizen”. In de buurt ontwikkelde zich vanaf 1937 het concentratiekamp Buchenwald. De Lietz-school werd eerst door de SS in beslag genomen en in 1945 gesloten. Na de Tweede Wereldoorlog werd kasteel Ettersburg verwaarloosd. Het werd een opleidingscentrum voor advocaten en officieren van justitie, daarna een bejaardentehuis. In juli 2006 begon de renovatie en die was begin 2008 voltooid.

Kasteel Ettersburg heeft een restaurant en hotel. Het kasteelcomplex kan ook geboekt worden als een conferentiezaal en voor evenementen / feesten. Er zijn regelmatig culturele evenementen. Bijvoorbeeld het bijna twee weken durende Pinksterdagfestival. Verder zijn er klassieke, jazz- en popconcerten, concertlezingen, toneelstukken en discussies.

Meer informatie vind je hier en hier.

Gedenkstätte Buchenwald

Ongeveer 8km ten noorden van Weimar ligt dit concentratiekamp, gebouwd door de nazi’s. Heinrich Himmler gaf opdracht om Buchenwald te bouwen. Het kamp was bedoeld voor politieke gevangenen en criminelen. De eerste 149 gevangenen waren communisten, Jehova’s getuigen, Roma en Sinti, criminelen en homoseksuelen. Zij kwamen in het kamp aan op 15 juli 1937. Ze kwamen uit andere kampen, zoals Sachsenhausen en Lichtenburg. De gevangenen werden tewerkgesteld bij de aanleg van het kamp, de bouw van de barakken, kazernes, woonhuizen en de aanleg van straten. Vanaf april 1938 kwamen er duizenden ‘werkschuwen’ (mensen die toegewezen werk hebben geweigerd) en daklozen in het kamp. In elke categorie van gevangenen was een subcategorie voor Joden.

In het najaar van 1938 kwamen de eerste Oostenrijkse gevangenen uit Dachau aan in Buchenwald. Onder hen veel belangrijke Joodse kunstenaars en wetenschappers. Tegen het einde van 1938 waren er meer dan 11.000 gevangenen in Buchenwald. Na het uitbreken van de oorlog in 1939 kwamen er 8.500 mannelijke gevangenen bij uit verschillende landen. Drieduizend Polen en Joden werden in het Sonderlager samengeperst, waar ze van honger en uitputting omkwamen.

In 1940 werd begonnen met de bouw van een crematorium in het kamp. Honderden gevangenen, voornamelijk Roma en Weense Joden kwamen door ontberingen, kou en dwangarbeid om het leven in de winter van 1940. In de zomer van dat jaar kwamen ook 232 Nederlandse gevangenen naar Buchenwald. Vanaf september 1941 arriveerden ook Sovjet krijgsgevangenen in het kamp. Er werd een speciale executieplaats aangelegd, waar in de twee jaar daarna ongeveer 8000 van deze krijgsgevangenen met een nekschot zijn vermoord. Meer dan 20.000 gevangenen uit Buchenwald moesten werken in de wapenindustrie. In de zomer van 1944 was het kamp met 31.491 gevangenen overvol. Veel gevangenen moesten noodgedwongen in de open lucht of in tenten bivakkeren. Nog eens 43.500 gevangenen zaten in de 64 subkampen. Bij geallieerde bombardementen op wapenfabrieken en SS-kwartieren kwamen 388 gevangenen om het leven, en raakten meer dan 2.000 van hen gewond.

Tegen het einde van de oorlog veroverden de Russen steeds meer gebied en werden steeds meer gevangenen uit andere kampen naar Buchenwald geëvacueerd. Degenen die levend aankomen zijn halfdood door uitputting, kou en honger. Buchenwald werd daarmee het grootste kamp, met in februari 1945 112.000 gevangenen. Ongeveer een derde was Joods. De omstandigheden werden nu ook door overbevolking steeds slechter, dagelijks stierven er tientallen mensen door ontberingen.

Begin april 1945 werd het kamp geëvacueerd, er waren toen 47.500 gevangenen in het kamp. Ongeveer 28.000 mensen werden in dodenmarsen richting Dachau, Flossenbürg en Theresienstadt gestuurd. Onderweg kwamen duizenden van hen om het leven door uitputting of werden vermoord. Buchenwald werd op 11 april 1945 bevrijd door het Amerikaanse leger. Bij de komst van de Amerikanen waren er 21.000 gevangenen in het kamp, onder hen 1.000 kinderen jonger dan 14 jaar. Na de bevrijding dwongen de geallieerden de inwoners van Weimar om het kamp te bezoeken. Aanvankelijk dachten de inwoners dat het een ‘uitje’ was. Tijdens de kennismaking met de wreedheden in het kamp waren velen geschokt, men beweerde niets te weten van dat wat er in het kamp gebeurde. Tussen 1937 en 1945 zijn hier ongeveer 250000 mensen gevangen gehouden en een kwart daarvan overleed. De barakken zijn er niet meer, maar er is wel een monument en er zijn exposities in het museum.

Meer informatie vind je hier.

Lees ook

Astrid
Latest posts by Astrid (see all)