Vraag een gemiddelde Nederlander naar de hoofdstad van Noord-Holland en je zult Amsterdam horen. Als docent geschiedenis en aardrijkskunde heb ik het zo vaak meegemaakt, niet alleen bij leerlingen, ook echt bij collega’s. Voor de lezers die nu denken, dat is toch ook zo? Sorry, Haarlem is de hoofdstad van Noord-Holland. En als je nog nooit in deze leuke stad bent geweest, dan moet je vooral verder lezen. Het ligt om de hoek van Amsterdam, heeft er ook wel wat van weg, maar is zoveel rustiger en gezelliger. Maar er is zoveel te doen en te zien! Zelf trein ik in een klein uurtje naar deze stad, dus ben ik er al regelmatig geweest voor bijvoorbeeld even een museum of het jaarlijkse geschiedenisfestival.

Binnenstad Haarlem

Haarlem is de zesde monumentenstad van Nederland. De historische binnenstad is beschermd stadsgezicht. In de binnenstad staan dan ook de meeste van de monumenten, zoals de Grote of Sint-Bavokerk, het Stadhuis en de Vleeshal. De stad kent echter ook een aantal moderne bouwwerken, zoals de Toneelschuur, het Patronaat, de nieuwbouw van de Stadsschouwburg en het voormalige kantoor van de ING Bank aan de Wilhelminastraat.

Grote Markt

De Grote Markt ligt centraal in de oude binnenstad en de Sint-Bavokerk is het belangrijkste gebouw. De Hoofdwacht is één van de oudste monumenten in de stad. De Vleeshal en Vishal zijn twee gebouwen waarin vroeger, zoals de naam al zegt, vlees en vis werden verkocht. Naast de Vleeshal ligt de Verweyhal, in de 19e eeuw gebouwd als herensociëteit. Andere bekende straten in de stad zijn de Botermarkt, Nieuwe Gracht, Gedempte Oude Gracht en de Jansstraat. De Barteljorisstraat, de Grote Houtstraat en de Zijlweg. Deze komen voor in het bordspel Monopoly.

Stadhuis Haarlem

Hier zie je ook het stadhuis, een rechthoekig gebouw met kantelen en een toren. Op de plaats waar het stadhuis staat was vroeger een jachtslot van de Graven van Holland en een door Floris V gesticht dominicanenklooster (1296). Het jachtslot, dat gebruikt werd als militair en bestuurlijk centrum, werd in de 14de eeuw door brand verwoest. Het stadhuis, een rechthoekig gebouw bestaande uit het Zaalgebouw en de Gravenzaal, met kantelen en een toren, werd in 1370 op dezelfde plaats gebouwd. Na de afschaffing van het Dominicanen- of Jacobijnenklooster in 1578, werden de kloostergebouwen en het pandhof bij het stadhuiscomplex gevoegd. Tussen 1622-1630 werd een nieuwe vleugel in de Hollandse renaissancestijl gebouwd. De stadhuisgevel werd in classicistische stijl vernieuwd. In 1764 werd een nieuwe vleugel, de Weeskamer genoemd, aan de Koningstraat gebouwd. In de hal van het stadhuis hangt een gedenkbord, ter herinnering aan de tien mensen die na de aanslag op Alois Bamberger (1943) werden gefusilleerd.

Hoofdwacht

De Hoofdwacht is één van de oudste monumenten van Haarlem. De aanduiding hoofdwacht verwijst naar de functie die het 13e-eeuwse gebouw vanaf de 18e eeuw had voor de schutterij die als stadwacht fungeerde. De oostelijke muur aan de Smedestraat is het oudst bekende metselwerk van Haarlem, waarmee de Hoofdwacht het oudste stenen gebouw van Haarlem is. In de eerste jaren werd de Hoofdwacht gebruikt door de Graven van Holland, wanneer zij in Kennemerland verbleven. Van 1250 tot 1350 was het gebouw in gebruik als eerste Haarlemse stadhuis. Na 1350 werd de Hoofdwacht weer een woonhuis. Het gebouw bood onderdak aan verschillende voorname Haarlemse families, de benedenverdieping werd gebruikt door drukkerijen, winkels en bierkelders. Sinds 1919 huurt de Historische Vereniging Haerlem het pand van de gemeente en gebruikt het als thuisbasis.

Vleeshal Haarlem

Sinds 1386 stond op de hoek van de Spekstraat en de Warmoesstraat een vleeshal waar vlees door vleeshouwers (slagers) werd verkocht. Het was handig om vlees op een centraal punt te verkopen, omdat de burgers dan veel keus hadden en de keurmeesters van de overheid konden zo het vlees beter controleren. Door de snelle groei van het aantal inwoners in Haarlem werd de vleeshal te klein. Vanaf 1592 mochten daarom 26 kramen van slagers buiten voor de hal staan, maar het vlees bedierf buiten sneller. Voor de bouw van een nieuwe vleeshal werden een aantal panden aan de Grote Markt aangekocht. Eind 1604 werd het gebouw in gebruik genomen. Er waren geen officiële feestelijkheden, want slagers waren ontevreden met de hoge huur die zij moesten betalen. In de hal moest 30 gulden per jaar door een slager worden betaald, terwijl dat in de oude hal 6 gulden per jaar was. Uiteindelijk werd de prijs in 1619 vastgesteld op 16 gulden. Er waren strenge regels. Er mocht niet worden geslacht of gewandeld, geen honden, en er mocht ook niet worden getold, gehoepeld of geknikkerd.

In de 19e eeuw kreeg het gebouw een heel andere functie: van 1840 tot 1885 diende het als bergplaats van een in Haarlem gelegerd garnizoen. Vervolgens heeft het gebouw dienstgedaan als Rijksarchief en daarna als depot van de stadsbibliotheek. De vleeshal is gebouwd in de noordelijke renaissancestijl, op een gotische basisstructuur en met renaissanceornamenten. Stieren- en ramskoppen op de gevels zijn nog uit de periode dat het een vleeshal was. Het gebouw heeft een Rolwerkgevel.

Vishal Haarlem

De Vishal is een expositieruimte van een kunstenaarsvereniging. Het gebouw doet dienst als een gratis toegankelijke expositieruimte voor wisselende tentoonstellingen van beeldende kunstenaars uit Haarlem en daarbuiten. De hal is in 1769 gebouwd als overdekte vismarkt ter vervanging van een eerdere vishal uit 1603 en is tot aan de Tweede Wereldoorlog gebruikt voor de handel in vis. Na de oorlog is de ruimte gewijzigd in een tentoonstellingsruimte voor het Frans Halsmuseum. In 1993 is het als zelfstandige kunstenaarsvereniging verdergegaan.

Meer informatie vind je hier.

Hofjes in Haarlem

Haarlem telt 22 hofjes. In de 17e eeuw waren er meer dan 40, maar in de 18e en 19e eeuw is er veel verdwenen. Ook het oudste hofje van Nederland is in Haarlem, het Hofje van Bakenes uit 1395. Het hofje is te vinden aan de Bakenessergracht in het centrum van Haarlem. Het hofje heeft twee ingangen: één aan de Bakenessergracht en één aan de Wijde Appelaarsteeg. De ingang aan de Wijde Appelaarsteeg is de hoofdingang. Het hofje is gebouwd in 1395. De huidige hofjeswoningen zijn niet meer de hofjeswoningen uit de 14e eeuw maar dateren uit ’t midden van de 17de eeuw. In eerste instantie bestond het hofje uit 13 huizen voor 20 vrouwen, maar met de herbouw in 1663 werd een van de gebouwen verbouwd tot regentenkamer, hierna was er nog plaats voor 12 vrouwen. Het hofje grenst aan de Toneelschuur en de Philharmonie. Het hofje is overdag toegankelijk voor publiek, maar is zondag gesloten.

Spaarnwouder- of Amsterdamse Poort

De Spaarnwouder- of Amsterdamse Poort is gebouwd in 1355 en is de enige nog overgebleven stadspoort van de twaalf Haarlemse stadspoorten die de stad in totaal gekend heeft. De poort staat aan het einde van de oude route van Amsterdam naar Haarlem. Na oprichting werd hij de Spaarnwouderpoort genoemd omdat de weg naar Amsterdam in die tijd via Spaarnwoude liep in verband met de passage van de Liede. Hij is gebouwd bij de eerste uitbreiding van de stad, toen de Burgwal, een terrein ten oosten van het Spaarne, binnen de wallen werd getrokken. Volgens de overlevering zou Kenau Simonsdochter Hasselaer op de walmuren bij de Amsterdamse Poort hebben gestaan om de Spaanse aanval tijdens de Tachtigjarige Oorlog af te slaan. Het is de enige poort die het beleg zonder noemenswaardige schade heeft doorstaan.

Philharmonie

Aan het Klokhuisplein in het centrum bevindt zich het vroegere Concertgebouw Haarlem, nu de Philharmonie met vijf concertzalen die aan het begin van de 21e eeuw is uitgebreid en gerenoveerd. In de Grote Zaal staat het beroemde Cavaillé-Coll-concertorgel dat van 1875 tot 1922 in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt heeft gestaan. Sinds 2012 wordt hier het dirigeerprogramma Maestro opgenomen, waarin BN-ers een orkest dirigeren. Ook wordt hier elk jaar het Geschiedenisfestival gehouden dat georganiseerd wordt door het Historisch Nieuwsblad.

Meer informatie vind je hier.

Kerken Haarlem

Grote of Sint-Bavokerk

De Grote of Sint-Bavokerk, gebouwd tussen 1370 en 1520 en de Kathedrale Basiliek Sint Bavo, gebouwd in 1930, zijn de bekendste twee kerken. Omdat beide kerken de heiligennaam ‘Bavo’ dragen, worden ze ook wel Oude en Nieuwe Baaf genoemd. In de Sint-Bavokerk klinken elke avond tussen negen en half tien de Damiaatjes, ter herinnering aan de verovering van de Egyptische stad Damietta.

De Grote Kerk is een laatmiddeleeuws gebouw aan de Grote Markt. De kruiskerk is gebouwd tussen 1370-1520 in de gotische bouwstijl. Midden op het kerkgebouw staat een hoge houten, laatgotische vieringtoren. Sinds 1559 de kathedraal van het bisdom Haarlem. Tijdens de Reformatie namen de protestanten de kerk over. Zij plunderden en vernielden de kerk en de priester werd gedood. Bijzonder is het ontbreken van de luchtbogen, terwijl de aanzetten wel aanwezig zijn. De bogen konden vervallen, omdat de zware stenen gewelfconstructie vervangen werd door één van hout.

In de kerk liggen ongeveer vierhonderd grafstenen. In veel zerken zijn zogenaamde huismerken, eenvoudige merktekens of wapenschilden gebeiteld van de eigenaars van de graven. De nummers op de stenen staan in grafboeken geregistreerd. Onder het koor bevindt zich het graf van de schilder Frans Hals. Andere bekende personen die in de Grote of Sint-Bavokerk begraven liggen, zijn de kerkschilder Pieter Saenredam en de schrijver Willem Bilderdijk, die als laatste in de kerk begraven werd. Ook bijzonder zijn de 17e-eeuwse preekstoel, de koorbanken (1512) met houtsnijwerk, de koperen lezenaar met pelikaan (1499) en het koorhek met koperen maaswerk. Kijk ook vooral even omhoog naar de mooie, houten gewelven en de prachtige glas-in-loodramen.

Meer informatie vind je hier.

Kathedrale basiliek Sint Bavo

De Kathedrale basiliek Sint Bavo is de kathedraal van het bisdom Haarlem-Amsterdam. De kerk is gelegen in de wijk Houtvaartkwartier. De kerk is ontworpen en gebouwd in eclectische en neoromaanse stijl in de late negentiende eeuw. De kerk is de na de Sint-Janskathedraal in Den Bosch de tweede grootste kerk van Nederland.

Toen men in 1895 begon met de bouw, werd allereerst begonnen aan een forse koorpartij in neoromaanse stijl. Deze koorpartij, met halfronde apsis, een dwerggalerij en straalkapellen, werd voltooid in 1898. Van 1902 tot 1906 werden het transept en het schip gebouwd waardoor het gebouw een kruiskoepelkerk werd, waarbij het transept invloeden vertoonde van de islamitische architectuur in Spanje. In de vieringtoren met koepel, zie je invloeden van de Indiase architectuur. Het schip van de Sint Bavo is grotendeels in de neogotische stijl gebouwd. Toch verschilt de Bavo sterk van de tot dan toe gebruikelijke Nederlandse neogotische kerken. De bouw van de torens en voorportaal, liet door geldgebrek tot 1927 op zich wachten en werden nooit geheel voltooid; de bekroningen, waarvoor talloze ontwerpen waren gemaakt, ontbreken.

In de sacristie bevindt zich de kerkschat die bestaat uit een grote verzameling liturgische voorwerpen, waaronder veel kerkzilver (15e – 20e eeuw). Interessant zijn ook de kerkelijke gewaden (begin 16e eeuw), die afkomstig zijn uit een voormalig Haarlems begijnhof.

Het prachtige hoofdorgel, het Willibrordorgel, werd tussen 1921 en 1923 gebouwd voor de Sint-Willibrorduskerk in Amsterdam en is in 1971 overgeplaatst naar Haarlem, nadat de Willibrordus was afgebroken. Het orgel heeft nu ongeveer 80 registers, verdeeld over 4 klavieren en pedaal.

Meer informatie vind je hier.

Janskerk

Aan de Jansstraat ligt de Janskerk, met een klooster ernaast waar nu het Noord-Hollands Archief is gevestigd is. Gebouwd in de periode 1310-1318 en vormden tot 1625 de Haarlemse zetel van de Commanderij van Sint Jan, die in 1310 werd gesticht. Na de voltooiing van de kerk zijn er nog verschillende verbouwingen geweest, maar het grondpatroon is daardoor niet sterk gewijzigd. Dat de Commanderij van Sint Jan, zoals het complex werd genoemd, een rijk klooster is geweest, blijkt uit de vele opdrachten die werden gegeven aan allerlei kunstenaars, zoals de schilders Jan van Scorel en Maarten van Heemskerck, van wie schilderijen te zien zijn in onder andere het Frans Hals Museum. Ook de bekende schilder Geertgen tot Sint Jans had als broeder onderdak binnen het klooster. Fragmenten van zijn hoogaltaar uit de Janskerk zijn nu te bekijken in het Kunsthistorisches Museum in Wenen.

De kerk was uiteraard gebouwd als een katholieke kerk. Maar net als vele andere kerken werd ook de Janskerk in de 16de eeuw door de protestanten in beslag genomen. In 1799 had de kerk nog een heel andere functie. Hij diende als opvangplaats voor gevangengenomen Engelse en Russische militairen, na de mislukte poging om Nederland te bevrijden uit de greep van de Fransen in de Slag bij Castricum.

Meer informatie over het archief vind je hier.

Groenmarktkerk

De Groenmarktkerk is de op één na oudste katholiek gebleven kerk in Haarlem. De kerk werd gebouwd in 1843 en 1844. Patroon van de kerk is de heilige Antonius van Padua. De stijl is neoclassicistisch met barokke details. De tweede galerij is uiteindelijk in 1854 bijgebouwd.
Het hoogaltaar uit 1854 is gemaakt door de beeldhouwer Pieter Jozef de Cuyper uit Antwerpen. Behalve de altaartafel, die van marmer is, is deze volledig gemaakt van grenenhout. De kapitelen zijn compositiekapitelen; een combinatie van Ionisch en Korinthisch.

Het rechter zijaltaar is gewijd aan de patroon van de kerk, de Heilige Antonius van Padua. Je ziet een beeld van Antonius als Franciscaan gekleed met een Jezuskind op zijn arm en een lelie (symbool van zuiverheid) in zijn andere hand. Boven het altaar een beeld van de Heilige Jozef met het Kind. Op het tabernakeldeurtje is een afbeelding te vinden van Abraham en Isaac. Beide zijaltaren zijn ook gemaakt van grenenhout, en de tafels van echt marmer. Ieder jaar vindt in november de nationale Hannie Schaft-herdenking plaats in de Groenmarktkerk.

Meer informatie vind je hier.

Musea in Haarlem

Museum Haarlem

Museum Haarlem is een museum over de historie en het culturele erfgoed van Haarlem en Zuid-Kennemerland. Het stadsmuseum is gevestigd aan het Groot Heiligland 47, schuin tegenover het Frans Hals Museum. De Stichting Historisch Museum Zuid-Kennemerland werd opgericht op 25 augustus 1975. Sinds 2012 koppelt het museum de geschiedenis aan het heden. Hiermee wil het museum het publiek uitnodigen om op een nieuwe manier naar het verleden te kijken.

In de vaste tentoonstelling worden acht eeuwen stad- en streekgeschiedenis van Haarlem en Zuid-Kennemerland in beeld gebracht. In deze tentoonstelling komt de Gouden Eeuw aan bod toen Haarlem één van de machtigste en rijkste steden van Holland was, de 19de eeuw toen de stad door industrialisatie een nieuwe rijke periode kende en de recente geschiedenis. De tentoonstelling is onderverdeeld in de thema’s werken, wonen, macht, geloof en kunst en wetenschap. Elk half jaar is er een tentoonstelling over een thema uit de geschiedenis van Haarlem en Zuid-Kennemerland. Ook zijn er wisselende tentoonstellingen van Haarlemse kunstenaars.

Er zijn ook activiteiten speciaal voor kinderen. Met ‘kijk-je-wijzers’ kunnen kinderen vanaf vier jaar de tentoonstellingen ontdekken. In het KinderKabinet worden kinderen uitgedaagd te kijken, voelen en ontdekken. Daarnaast heeft het museum lespakketten ontwikkeld die aansluiten op de leerdoelen in het onderwijs. Ook is er het ‘Stappen in de Stad’-project, waarbij kinderen in de leeftijd van 11 tot 14 jaar via een app kunnen kennismaken met de geschiedenis en het erfgoed van Haarlem. Kinderen gaan met de app op zoek naar de waarheid over drie Haarlemse legendes. Dit project is in samenwerking met ErfgoedEducatie Haarlem ontwikkeld. Ook het project ‘Wie wat bewaart, heeft wat!’ is onderdeel van het samenwerkingsprogramma met ErfgoedEducatie Haarlem.

Het museum is gevestigd in een deel van het voormalige Sint Elisabeth Gasthuis uit 1581. Museum Haarlem nam in 1990 zijn intrek in het voormalige gasthuis aan het Groot Heiligland. In het Gasthuis worden de bezoekers ontvangen. Hier is ook het museumcafé gevestigd en een museumwinkel met onder meer boeken over Haarlem en producten van Haarlemse ontwerpers. In het Gasthuis zijn ook regelmatig de zogenoemde Gasthuisexposities te zien. Dat zijn kleine tijdelijke tentoonstellingen die Museum Haarlem samen met andere instellingen en bedrijven organiseert.

In de Weeshuiskamer kan de bezoeker ontdekken hoe het was om als kind in armoede en zonder ouders op te groeien. De Weeshuiskamer heeft een kinderslaapkamer en een opstelling van de regentessen. In de kerstperiode wordt de Weeshuiskamer in kerstsfeer gebracht.

Meer informatie vind je hier.

Frans Hals Museum

Het Frans Hals Museum, vroeger het Stedelijk Museum, is opgericht in 1862, en staat bekend als “museum van de Gouden Eeuw”. De collectie is gebaseerd op de rijke verzameling van de stad zelf, die vanaf de 16e eeuw is opgebouwd. Het museum bezit honderden schilderijen, waaronder zeker 12 van Frans Hals, aan wie het museum zijn naam dankt. De collectie van de Gouden Eeuw bevindt zich in de locatie Hof aan het Groot Heiligland, met als kern het voormalige Oudemannenhuis uit de 17e eeuw. De moderne collectie is te vinden aan de Grote Markt in de locatie Hal, die is samengesteld uit de naast elkaar gelegen 17e-eeuwse Vleeshal en 19e-eeuwse Verweyhal. Het begin van de collectie van de stad Haarlem werd gevormd in 1581, vlak na de Reformatie, toen Haarlem van de Staten van Holland alle goederen van de katholieke kloosters en andere katholieke instellingen in Haarlem kreeg.

In 1590 schilderde Cornelis Cornelisz van Haarlem in opdracht van het stadsbestuur vier grote schilderijen voor het Prinsenhof, een onderdeel van het Stadhuis van Haarlem. Drie van die vier hangen in het Frans Hals Museum. Toen in 1625 de laatste broeder van het belangrijke Sint-Jansklooster overleed, kwam een deel van de kunstwerken van het klooster in handen van de stad, waaronder Jan van Scorels De doop van Christus in de Jordaan. In 1797 werden de schutterijen opgeheven. Negen grote schuttersstukken uit de verenigingsgebouwen werden in het stadhuis in veiligheid gebracht. Vier van de negen waren geschilderd door Frans Hals, de anderen door Pieter de Grebber en anderen. In 1862 opende het Stedelijk Museum van Schilderijen en Oudheden zijn deuren. Het werd gevestigd in het stadhuis, dat hiervoor werd uitgebreid met een aantal museumzalen aan het Prinsenhof. Er werden 123 schilderijen getoond. De verzameling werd gestaag uitgebreid met schenkingen en een groot bruikleen van het Sint Elisabeth Gasthuis. De collectie werd flink uitgebreid door de in 1875 opgerichte Vereeniging tot uitbreiding der Verzameling van Kunst en Oudheden, dusdanig dat de collectie te groot werd en een eigen gebouw verdiende. In 1913 verhuisde het museum naar het voormalige Oudemannenhuis aan het Groot Heiligland, nu bekend als hof. Het werd genoemd naar Haarlems beroemdste kunstenaar: Frans Hals. Sindsdien is de collectie uitgebreid door legaten, schenkingen en aankopen, de laatste mede dankzij de steun van de Vereniging van Vrienden van het Frans Hals Museum en andere instellingen.

De schilderijen van Frans Hals, van zijn voorgangers, zijn leerlingen, zijn collega’s én zijn concurrenten bieden een overzicht van de Haarlemse schilderkunst in de Gouden Eeuw. In de aanloop naar de Gouden Eeuw waren er enkele schilders in Haarlem, Jan van Scorel en Maarten van Heemskerck en later Cornelis Cornelisz van Haarlem, Hendrick Goltzius en Karel van Mander, die de schilderkunst in Haarlem op hoog niveau brachten. Van al die nieuwe genres zijn in het Frans Hals Museum voorbeelden te vinden: portretten van Frans Hals, landschappen van Jacob van Ruisdael, huishoudens van Jan Steen, “ontbijtjes” van Floris van Dijck – allemaal hoogtepunten van de Gouden Eeuw.

De moderne kunstcollectie omvat meer dan 10.000 werken. Daaronder bevindt zich werk van Haarlemse schilders als Jacobus van Looy, Henri Boot en Kees Verwey en Nederlandse modernisten als Jan Toorop en Piet Mondriaan. Ook Herman Kruyder, die een tijd lang in Haarlem woonde, is in de collectie te vinden. In de collectie naoorlogse kunst bevindt zich werk van onder anderen CoBrA en kunstenaars uit de Nieuwe Figuratie. Naast schilder- en beeldhouwkunst werd in het laatste kwart van de twintigste eeuw ook eigentijds keramiek aan de collectie toegevoegd.

Na 2001 heeft het verzamelbeleid onder leiding van directeur Karel Schampers een meer internationaal karakter gekregen. Fotografie en bewegend beeld (film en video) werden toegevoegd. De fotografiecollectie bevat werk van onder meer Nan Goldin, Boris Mikhailov, Dana Lixenberg, Sarah Lucas en Bertien van Manen. De collectie bewegend beeld bevat werken van onder anderen Paul McCarthy, Andrea Fraser, Michel Auder, Erik van Lieshout, Joost Conijn, Guido van der Werve en Renzo Martens.

Meer informatie vind je hier.

Teylers Museum

Teylers Museum is een museum voor wetenschap en kunst. Het werd in 1778 gesticht als een openbare gelegenheid voor kunst en wetenschap. Het museum heeft de oudste Nederlandse museumzaal waarvan het interieur nagenoeg in originele staat behouden is.
Het museum is genoemd naar Pieter Teyler van der Hulst (1702-1778), een rijke Haarlemse laken- en zijdefabrikant en bankier, met een grote belangstelling voor kunst en wetenschap. Bij testament liet hij zijn collectie en vermogen na aan de Teylers Stichting. Het doel was een kennisinstituut op te richten door en voor burgers waar men zonder dwang van Kerk of Staat zelf de wereld kon ontdekken.

In 1784 werd een zaal opengesteld voor het publiek. In 1825 werd het museum uitgebreid met een leeszaal. Een schilderijenzaal volgde in 1838. Vanwege het eeuwfeest in 1878 werd besloten een nieuw museum aan het complex toe te voegen, de zogenaamde Spaarnevleugel. Dit gebouw omvat een entree aan het Spaarne, drie museumzalen en op de eerste verdieping een gehoorzaal en bibliotheek. De entreehal heeft een rijk versierde voorgevel, een lichtkoepel en rotonde. De Haarlemse architect Adrianus van der Steur ontwierp de achterliggende zalen: de Eerste en Tweede Fossielenzaal en de Instrumentenzaal. Een tweede schilderijenzaal werd in 1893 aan de schilderijenzaal van het oude gedeelte van het museum toegevoegd om de groeiende collectie levende meesters een plek te bieden.

In de collectie bevinden zich natuurkundige instrumenten zoals de grote elektriseermachine uit de 18e eeuw, fossielen, schilderijen, tekeningen, munten en penningen. Het museum heeft ook een bijzondere collectie tekeningen en prenten, met daarin onder meer 25 originele tekeningen van Michelangelo, met bijvoorbeeld voorstudies voor de plafondschilderingen van de Sixtijnse Kapel in het Vaticaan in Rome. Ook bezit het museum werken van Rembrandt, Rafaël, Goltzius en Claude Lorrain.

Teylers Museum heeft een eigen observatorium: Teylers Sterrenwacht. Bij de eerste vijf directeuren van Teylers Museum hoorde Jacobus Barnaart. Barnaart had grote interesse in natuurkunde en wilde boven op de Ovale Zaal een observatorium bouwen. Dit bleek later echter geen goed idee te zijn: het dak van de Ovale Zaal was gemaakt van hout wat voor te veel trillingen zorgde. Hierdoor konden er geen nauwkeurige metingen worden uitgevoerd. Uiteindelijk werd een belvédère gebouwd: een vierkante toren met twee deuren in elke wand.

Meer informatie vind je hier en hier.

Archeologisch Museum Haarlem

Het Archeologisch Museum Haarlem is een museum over stadsarcheologie in de kelders van de Vleeshal aan de Grote Markt. Het museum opende haar deuren 1991 voor het publiek. In het museum is de archeologische collectie van de gemeente te zien. Centraal staat de stadsarcheologie en in het museum is te zien wat er de afgelopen decennia in de stad is opgegraven en ontdekt. Het museum heeft een vaste opstelling “6000 jaar Haarlem” waarin de bezoeker Haarlem ontdekt vanaf de prehistorie tot en met de nieuwe tijd. Ook heeft het museum een reconstructie waarin de bezoeker zelf ziet hoe een archeologische opgraving in zijn werk gaat. Het museum biedt verschillende actieve kinderactiviteiten aan waaronder een miniopgraving en onderzoek naar beerputresten tot schervenpuzzels, memorie en speurtochten. Ieder half jaar is er een nieuwe wisselexpositie over een actueel onderwerp of onderzoek.

Meer informatie vind je hier.

Dolhuys

Het Dolhuys is een museum in een voormalig dolhuis, waar sinds de 16e eeuw krankzinnigen werden verpleegd. Het museum heeft als belangrijkste thema de psyche en geest van de mens. Het oudste gedeelte van het complex aan de Schotersingel dateert uit 1320 en was in eerste instantie in gebruik als leprozerie. Het complex lag in die tijd buiten de stadsmuren omdat leprapatiënten werden geweerd uit de steden. De Haarlemse leprozerie was daarnaast een officiële schouwplaats: leprapatiënten uit geheel Holland werden hiernaartoe gestuurd om geschouwd te worden. Als ze werkelijk lepra hadden kregen ze een ‘vuilbrief’ (bewijs van ziekte) mee die hen het recht gaf te bedelen en te wonen in een leprozerie in hun eigen woonplaats. Leprozen met een vuilbrief kregen een klepper waarin het Haarlemse stadswapen was gegraveerd. In 1559 (na het verdwijnen van lepra) werd het huis verbouwd en ingericht als dolhuis en werden er ‘krankzinnigen’ gehuisvest. Kalme patiënten konden vrij rondlopen, voor lastige patiënten, ‘dollen’, werden er veertien dolcellen met een getraliede deur, een houten krib en een poepdoos ingericht. Een luikje boven in een cel zorgde voor licht en lucht. Na de ‘dollen’ werden er syfilispatiënten, (oudere) zieken en ten slotte kinderen verzorgd.

Sinds 2005 is in het voormalige Dolhuys een museum met de naam ‘Het Dolhuys’ gevestigd. Een onderdeel van het museum zijn de cellen voor de ‘dollen’ (uit de 16e eeuw), die nog volledig intact zijn. Het museum is gericht op de geschiedenis van de psychiatrie en is een initiatief van zeven psychiatrische ziekenhuizen.

Het Dolhuys is een zogenoemd belevingsmuseum: het gaat niet om de verzameling voorwerpen maar om ervaringen en meningen. Het museum geeft een overzicht van hoe er door de eeuwen heen met ‘gekte’ werd omgegaan. Naast de vaste tentoonstelling zijn er wisselende exposities. Bezoekers kunnen zichzelf testen: ‘Hoe normaal ben jij?’. Het museum heeft tevens een collectie kunst.

Meer informatie vind je hier.

Een stukje geschiedenis

Haarlem kreeg in 1245 stadsrechten van Willem II van Holland. Aan het eind van de middeleeuwen was Haarlem één van de belangrijkste steden van het gewest Holland. Later ontwikkelde de stad zich als textielstad en als schildersstad. Vanwege de ligging aan de rivier het Spaarne heet de stad ook wel Spaarnestad. Door de ligging aan het Spaarne kon de stad zich snel ontwikkelen. De economie van de stad draaide in de 13e en 14e eeuw vooral op het brouwen van bier, scheepsbouw en lakennijverheid. In de 15e eeuw liep de economie terug. Een inwoner van de stad is een Haarlemmer, maar wordt ook wel mug genoemd. Al in de 14e eeuw werd ‘mug’ gebruikt als scheldwoord. Een logische verklaring zou zijn dat er vroeger veel muggen in Haarlem waren. Haarlem ligt ten noorden van de Bollenstreek en wordt daarom ook de Bloemenstad genoemd.

In 1572 koos Haarlem in de Tachtigjarige Oorlog de kant van Willem van Oranje en tegen de Spaanse koning. Aan het eind van dat jaar begon de belegering van de stad door de Spanjaarden. In juli 1573 gaf de stad zich over, na vrijwel uitgehongerd te zijn. Drie jaar later werd Haarlem getroffen door een grote stadsbrand. In 1577 vertrokken de Spanjaarden en kwam de stad weer aan de zijde van Willem van Oranje.
Haarlem was een katholieke stad. In het Akkoord van Veere werden de gelijke rechten tussen katholieken en protestanten vastgesteld. Daarmee was Haarlem de enige Hollandse stad waar in die tijd godsdienstvrede was. In juni 1578 bestormden protestanten de toen nog katholieke Grote Kerk op de Grote Markt. Ze plunderden de kerk en doodden de priester. Ook de kloosters werden daarna geplunderd en deels vernield, bedoeld als opstand.

In 1581 werd het Akkoord van Veere beëindigd. Vanaf die tijd ging het katholieke leven ondergronds: in schuilkerken, zoals de Oud Katholieke Kerk van St. Anna en Maria aan de Bakenessergracht, bleven de katholieken in het geheim bijeenkomen. Veel Vlamingen en Fransen trokken naar Haarlem. Zij zorgden voor een nieuwe bloeiperiode in de linnennijverheid. De schilder Frans Hals was een zoon van één van deze Vlaamse immigranten. De economische bloei was vooral te danken aan de textielnijverheid, maar ook aan boekdrukkunst en tulpenhandel. In 1631 werd begonnen met de aanleg van een trekvaart tussen Haarlem en Amsterdam en in 1657 werd er een trekvaart gegraven tussen Haarlem en Leiden. Aan het einde van de 17e eeuw was het inwonertal van de stad gegroeid tot 55.000. In 1839 reed op de spoorlijn Amsterdam – Haarlem de eerste trein in Nederland. In 1842 werd deze spoorverbinding verlengd tot Leiden.

In 1853 werd het bisdom Haarlem gesticht en tussen 1895 en 1930 werd aan de toenmalige rand van de stad een nieuwe kathedraal gebouwd. Pas in de tweede helft van de 19e eeuw begon de economie van de stad weer op te krabbelen. Er ontstonden nieuwe industrieën, waaronder de rijtuigen- en spoorwagenfabriek Beijnes, de machinefabriek van Figee en de drukkerij van Joh. Enschedé.

Astrid