Groningen is de hoofdstad van de provincie Groningen en is de grootste stad van noordelijk Nederland. Van Groningen zijn geen geschreven stadsrechten bekend. Als Hanzestad maakte Groningen deel uit van het Noord-Duitse handelsnetwerk, maar werd later vooral een regionaal marktcentrum. Groningen staat nu vooral bekend als een gezellige studentenstad. Je vindt er een aantal leuke bezienswaardigheden en veel gezellige terrasjes en café´s en restaurants. De stad is goed te combineren met de rustige, groene omgeving en bijzondere (kerk)dorpjes, of een tripje naar één van de kleinere Waddeneilanden.

Bezienswaardigheden Groningen

Grote markt

De Grote Markt, tot begin 19e eeuw de Breede Merckt, is het middelpunt van de stad Groningen. De belangrijkste bezienswaardigheden zijn de Martinitoren en het stadhuis. Een ander prominent gebouw is het Goudkantoor. De Grote Markt was tot in de Tweede Wereldoorlog één van de meest kenmerkende pleinen in Nederland. Op het schilderij ‘De paardenkeuring op de Grote Markt’ (1920) – nu in de hal van het Stadhuis – zie je de markt in zijn vroegere glorie. Tijdens de bevrijding van de stad, in april 1945, werden grote gedeelten vernietigd, of zwaar beschadigd. Na de oorlog werd gebouwd in de stijl van de wederopbouw. De huidige Grote Markt was oorspronkelijk, tot in de negende/ tiende eeuw een Drentse brink, met boerderijen in randligging. De boerderijen aan de noordzijde zijn waarschijnlijk zelfs op de brink gebouwd. De belangrijkste straten van de stad komen allen uit op de Grote Markt. Deze verbindingsfunctie was er al in de achtste eeuw.

Rond 1200 is de Markt voor het eerst bestraat. Dat de markt dan al het middelpunt van de stad is staat wel vast. De eerste kerk van de stad, de Sint Maartenskerk staat al sinds 800 aan wat nu de Grote Markt is. Rond 1300 staat op de Markt een stenen raadhuis. Het werd in 1443 uitgebreid. Het raad- en wijnhuis (vanaf 1470), diende ook als rechthuis (1625 – 1755) en als waag (tot 1617). Raad- en wijnhuis zijn wegens bouwvalligheid afgebroken in 1775 en vervangen door het huidige stadhuis (af in 1810).  Aan de voorzijde van het Stadhuis is een gedenkplaat aangebracht ter gelegenheid van de Bevrijding in 1945; aan de zuidzijde een plaquette ter herinnering aan zes tijdens WO II omgekomen raadsleden.

Tegenwoordig is de markt vooral bekend om zijn concentratie van horecagelegenheden, zoals de Drie Gezusters (“de drie” in de volksmond), de grootste bar van Europa. Hiernaast staat Hotel De Doelen, de oudste horecagelegenheid van Groningen die nog in bedrijf is. De Grote Markt functioneert ook nog steeds als marktplaats.

Martinitoren

De Martinitoren, staande aan de Grote Markt, is met zijn 96,8 meter de hoogste toren van de stad Groningen. De toren hoort bij de Martinikerk. Voor de stadjers, de inwoners van de stad, heeft de toren de bijnaam d’ Olle Grieze, Gronings voor de oude grijze.
De huidige Martinitoren had twee voorgangers. In de 13e eeuw werd de eerste toren gebouwd. Deze was ongeveer 30 meter hoog en geheel in gotische stijl. Op het 13e-eeuwse stadszegel van Groningen staat een afbeelding van de toren. Deze stond oorspronkelijk ten westen van de kerk, maar was door de verlenging van de noordelijke en zuidelijke zijbeuken van de Martinikerk naar het westen inpandig geworden. Door een blikseminslag in 1408 werd deze toren vernietigd. Vanaf 1430 werd de kerk uitgebreid in gotische stijl, waarbij in 1452 ook begonnen werd aan de bouw van een tweede toren van ongeveer 45 meter hoog, die deels van steen en deels van hout was. In 1468 stortte de toren in na een brand en daarmee ook alle aanbouwen rondom. De nieuwe toren werd gebouwd uit blokken Bentheimer zandsteen en de bovenbouw en spits van hout.

De toren kreeg geregeld te maken met brand en werd elke keer weer opgebouwd. De toren overleefde de Tweede Wereldoorlog redelijk ongeschonden. In één van de klokken is nog altijd een kogelgat te zien, ontstaan bij de bevrijding van Groningen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ook enkele beschadigingen in het muurvlak zijn niet ongedaan gemaakt.

In de Martinitoren hangt een gelui bestaande uit twaalf klokken, het grootste in Nederland na dat van de Domtoren in Utrecht. Drie grote klokken zijn in 1577 en 1578 gegoten door Hendrick van Trier. De grootste, met een gewicht van 7850 kg en een diameter van 2,23 meter, wordt de Salvator genoemd, Latijn voor ‘Verlosser’. De andere twee, de grote en de kleine Borgerklok (‘burgerklok’), wegen respectievelijk 4200 en 3400 kg. Eeuwenlang hebben deze klokken vreugde en leed, oorlog en vrede aangekondigd. Na een malaria-epidemie in 1826 (Groninger ziekte) werd het dagelijks luiden van de klokken afgeschaft. Sinds 11 november 1982 luidt het Groninger Klokkenluiders Gilde (GKG) iedere zondag en op bijzondere dagen met de hand de klokken. In 1994 werd een nieuwe klok geïnstalleerd, de Kromstaart, genoemd naar een zilveren munt die in Groningen in gebruik was van de veertiende tot de achttiende eeuw. Deze op een na grootste klok weegt 5550 kg en heeft een doorsnede van ongeveer twee meter. Op deze klok staat het volgende rijm:

Kromstaart mag men mij noemen,
de Groningers zal ik roemen,
want volk van Stad en Land,
schonk mij met milde hand
1040-1990 Groningen stad 950 jaar.

In 1994 werden ook de vier klokken van het Nieuwe Stadhuis overgeplaatst naar de toren. Deze klokken werden wel, om bij de andere te passen qua klankkleur en toonhoogte, bijgeslepen tot het zgn. Van Trier-profiel. Ten slotte, om het oorspronkelijke gelui van de Martinikerk te completeren, werden in 1995 vier klokken gegoten door de Koninklijke Klokkengieterij Eijsbouts in Asten. Vlak bij het galmgat aan zuidzijde hangt nog een historische klok, de Ruimstraatklok van 900 kg. Deze valt echter buiten het gelui omdat de stemming niet bij de overige klokken past.

De beiaard van de Martinitoren is in 1662/63 gegoten door de befaamde klokkengieters Pieter en François Hemony. Tegenwoordig bevat de beiaard vier octaven en 49 klokken, waarvan er nog dertig van de gebroeders Hemony zijn.

Meer informatie vind je hier.

Stadhuis Groningen

De bouw werd gestart in 1793. De windvaan op de voorgevel is in 1889 geschonken door fabrikant W.A.Scholten. Het huidige gebouw, is gebouwd in neoclassicistische bouwstijl. Het stadhuis werd gebouwd op de plaats van het 15e-eeuwse raad- en wijnhuis dat in 1775 werd afgebroken.

In de Oude Raadszaal op de eerste verdieping wordt het Gulden Boek van de Stad Groningen bewaard. Daarin zijn de ereburgers van de stad opgenomen. De Gemeenteraad van Groningen vergadert in een grotere nieuwe raadszaal op de begane grond. Ook is het gebouw een trouwlocatie.

Provinciehuis

Aan de oostzijde van het Martinikerkhof staat het provinciehuis, waarin een oude gevel ingebouwd is die vroeger in de Oude Kijk in ’t Jatstraat stond. Het gebouw aan het Martinikerkhof dateert uit 1917, achter dat gebouw ligt de voormalige Sint-Maartenschool uit de 16e eeuw die nu dienstdoet als vergaderzaal voor Provinciale Staten.

Goudkantoor

Het Goudkantoor (1635), oorspronkelijk belastingkantoor en (1814-1887) waarborgkantoor voor goud- en zilverwerken. Het is een markant gebouw. Op de plek van het Goudkantoor stond begin 17e eeuw een pastorie. Deze ‘predicant behuysinghe’ werd door de stad gekocht voor 6500 gulden om er een belastingkantoor te vestigen in afwachting van nieuwbouw. In 1635 werd vervolgens het Goudkantoor gebouwd. Het pand is opgetrokken in een Groningse variant van de stijl van de Hollandse renaissance ook wel het Noordelijk Maniërisme genoemd. Bijzonder zijn de schelpvormige motieven boven de deuren en ramen, die worden toegeschreven aan een beeldhouwer uit Bremen. De motieven op de buitenmuren zijn kenmerkend voor het Hanzegebied. Oorspronkelijk deed het gebouw dienst als kantoor voor de ontvanger van de belastingen in de provincie Groningen. Het heette toen het Collectehuis. De spreuk op het pand, Date Caesari quae sunt Caesaris (“Geef de keizer wat des keizers is”) verwijst naar de oorspronkelijke functie. In 1795 sloot het Collectehuis. In 1814 werd er een waarborgbureau voor gouden voorwerpen gevestigd dat officieel ‘Goud- en Zilversmitkeurhuis’ of ‘Waarborgkantoor’ werd genoemd, maar omdat men deze namen te lang vond ontstond in de volksmond al snel de naam ‘Goudkantoor’. In het goudkantoor kon een waarmerk worden aangebracht waarmee werd aangetoond dat het betreffende voorwerp echt van goud was. In 1887 sloot het Waarborgkantoor en werd het gebouw gerestaureerd. Het werd daarna eerst als museum gebruikt en later als informatiecentrum (het Stadjershuis). Sinds 1994 is het een horecagelegenheid.

Academiegebouw

Het rijkversierde, in Noord-Nederlandse neorenaissancestijl gebouwde Academiegebouw (1907-1909) is het hoofdgebouw van de Rijksuniversiteit Groningen. Het ligt tegenover de Universiteitsbibliotheek aan de Broerstraat in Groningen. Het gebouw is van algemeen belang vanwege zijn cultuurhistorische en architectuurhistorische waarde en zijn betekenis voor de geschiedenis van het wetenschappelijk onderwijs in Groningen.

Het eerste Academiegebouw uit 1614 was van oorsprong een Begijnhof. Het was een eenvoudig, laag gebouw. In het midden was een poort die model heeft gestaan voor de versiering boven de hoofdingang van het huidige Academiegebouw. Het gebouw werd wegens de slechte staat in 1846 afgebroken. Omdat de centrale overheid geen nieuw pand wilde bekostigen, werd met ingezameld geld van de stad en de provincie in 1850 het tweede Academiegebouw gebouwd. In 1906 brandde het gebouw tijdens schilderswerkzaamheden af. Met behulp van de Groningse burgerij konden de hoogleraarportretten, de universiteitsarchieven en het vaandel van de Vrijwillige Studenten Compagnie uit 1665 uit de brand worden gered. Dit vaandel gedenkt dat in 1665 vrijwel alle 120 studenten zich vrijwillig meldden om de stad te helpen verdedigen tegen de in Stad en Ommelanden oprukkende Bommen Berend. De hoogleraarportretten hangen nu in het huidige Academiegebouw in de Senaatskamer. Het vaandel bevindt zich op de eerste verdieping tegenover de faculteitskamer van de faculteit der Rechtsgeleerdheid.

Het huidige, derde Academiegebouw dateert uit 1909. Het verrees op de fundamenten van het tweede gebouw. De gevels worden aan de bovenzijde afgesloten door een natuurstenen balustrade met obelisken. In de noordwesthoek van het gebouw is een slanke, ronde toren opgenomen met een carillon en een uurwerk dat geschonken is door de Groningse Burgerij. Deze toren is eveneens met speklagen, dorpelbanden, hoekblokken, een balustrade en timpanen van natuursteen verstevigd en versierd. De toren gaat op het niveau van de nok van het dak van het gebouw over in een achtzijdig systeem.

Het gebouw heeft drie gevels. In de voorgevel zijn vijf zandstenen beelden met een hoogte van circa 1.75 meter verwerkt. Onder de middelste topgevel staat Minerva als godin van de wetenschap tussen het universiteitswapen en de Nederlandse leeuw. Links van haar staat Scientia en rechts Historia. Ook zie je allegorische voorstellingen van Prudentia (links) en Mathematica (rechts). In het goed bewaarde interieur zie je onder andere de ruime, overwelfde hal met monumentaal trappenhuis met gebrandschilderde ramen, op de eerste verdieping de aula met rijk geornamenteerde plafonds, kroonluchters, houten lambrisering, meubilair, wandschilderingen en gebrandschilderde ramen en de rijk gemeubileerde en geornamenteerde senaatskamer, curatorenkamer en de faculteitskamers. In de hal zijn de vertrekken voor de pedel en de conciërges. De gedenkramen in de aula geven het geestelijk leven en de wetenschap in Stad en Ommeland weer. Koningin Wilhelmina schonk de glas-in-loodramen boven de balkondeuren in 1938 ter herinnering aan het eredoctoraat dat zij in 1914 aan de Rijksuniversiteit Groningen ontving. Twee van de afgebeelde figuren zijn Aletta Jacobs en Anda Kerkhoven, bij leven pacifiste en na haar dood vereeuwigd in wit glas als een symbool van vrede en wapenstilstand. Verder zijn er nog vier ramen die tussen 1940 en 1953 zijn aangebracht. Op het meest rechtse zijn beroemde geleerden zoals Petrus Camper (medicus en anatoom) en Jacobus Cornelius Kapteyn (sterrenkundige) en andere hoogleraren afgebeeld. Boven de deuren zijn de volgende spreuken aangebracht: ‘Excute et invenies’ (Onderzoek en gij zult vinden), ‘Favete linguis’ (Bewaart een aandachtig stilzwijgen) en ‘Non Scolae sed vitae’ (Niet voor de school maar voor het leven). Deze laatste spreuk siert ook het kunstwerk van Marte Röling op het Harmonieplein bij de Faculteit der Letteren en de Faculteit der Rechtsgeleerdheid.

Om het gebouw van binnen te bekijken, klik hier.

Vismarkt

Aan de westkant van de Grote Markt ligt de Vismarkt. Vooral de zuidkant van dit plein bevat een aantal fraaie panden. Het plein wordt aan de westkant afgesloten door de Korenbeurs, een verwijzing naar de rijkdom van de provincie in de negentiende eeuw die gebaseerd was op de graanteelt op de vruchtbare zeeklei. Het is een langwerpig, rechthoekig plein. De naam Vismarkt wordt voor het eerst gebruikt in het begin van de vijftiende eeuw. Voordien stond de plek bekend als Langestraat. De naam verwijst naar het soort markt dat er regelmatig werd en wordt gehouden. Aan de zuidzijde staat Huize Maas. Op de hoek van de Folkingestraat is het café Huis de Beurs gevestigd. Daarnaast komen de Pelsterstraat en de Haddingestraat uit op de zuidzijde van de Vismarkt. Aan de oostzijde van de Vismarkt staat een monumentaal pand dat gebouwd is in de jaren ‘30. Aan de rechterzijde van dit pand is een doorgang gelegen die toegang biedt tot de Herestraat: het Tingtangstraatje. Deze steeg heeft zijn naam te danken aan de grote koperen klok die voorheen bevestigd was aan de kop van de Oost-Noordzijde van de Vismarkt. Aan de andere kant van het pand loopt de weg Tussen Beide Markten naar de Grote Markt. De Vismarkt is elk jaar het decor voor de finish van de 4 Mijl van Groningen.

Boteringestraat

Vanaf de Grote Markt naar het noorden loopt de Oude Boteringestraat met één van de oudste huizen van de stad, het Calmershuis en de oude Rechtbank. Over de diepenring loopt de straat door als Nieuwe Boteringestraat en loopt dan langs de Nieuwe Kerk, uit 1660 en de eerste kerk in Groningen die gebouwd is voor de protestantse eredienst. De Boteringestraat heeft steeds een voornaam karakter gehad; de bebouwing wordt gedomineerd door grote herenhuizen. Winkels zijn in de straat nauwelijks te vinden. Tegenover het Calmershuis staat, een eind van de straat af in een steegje de Doopsgezinde kerk. Ten noorden van de Broerstraat staat het oude gebouw van de Rechtbank uit 1755. Tegenwoordig is in het pand een deel van de Theologische faculteit van de universiteit gevestigd.

Het Pelstergasthuis

Bijzonder in Groningen zijn de vele hofjes, gasthuizen genoemd. De bekendste zijn het Pelstergasthuis, uit de dertiende eeuw, één van de oudste hofjes van Nederland, en het Pepergasthuis. Het gasthuis wordt voor het eerst genoemd in 1267 als Paus Clemens IV toestemming verleent om een kapel en een begraafplaats aan te leggen. De kapel, de Pelstergasthuiskerk, is daarmee het oudste nog bestaande deel van het gasthuis. Het heeft een fraai orgel van Hinsz uit 1774 en de oudste klok van Groningen (1459). In de 13e eeuw ontstond bij de kapel het ‘hospitael ten Hillighen Gheeste’, waar pelgrims, zwervers, armen en zwakken werden verpleegd. Het gasthuis lag toen tegen de stadsmuur aan, iets ten westen van de zuidelijke Herepoort. Al in de 14e eeuw kwamen er mensen die al hun bezittingen schonken aan het gasthuis om er vervolgens gratis te kunnen wonen. Tot 1342 was het Heilige Geestgasthuis waarschijnlijk het enige van Groningen, maar in dat jaar werd door Appingedamse heremieten in Groningen een tweede convent opgericht. In 1422 werd als uithof vanuit het Heilige Geestgasthuis het Jurgiens Gasthuis gesticht om dienst te doen als leprozerie voor ‘Lazarusesche menschen’. In de 16e eeuw werd het steeds meer omgevormd tot een proveniershuis en uit die tijd dateren ook de eerste stukken omtrent voorwaarden die werden gesteld aan opname.

Het gasthuis bevat onder andere drie binnenhofjes en een kapel. Onder het 13e-eeuwse complex ten westen van de kapel bevinden zich kelders met originele lampnissen (om kaarsen of olielampjes in te plaatsen). Erboven waren de weegkamer en de voogdenkamer (met stucplafond en schouw uit 1751). Ten zuiden van de kerk ligt een hofje dat ontstond door de bouw van woningen aan de Nieuwstad in de 15e eeuw en de bouw van een poortvleugel langs de Pelsterstraat in de 16e eeuw, die rond 1860 werd bepleisterd. De westvleugel langs de Nieuwstad dateert uit de 17e eeuw (poortje uit 1636) en werd later verbouwd en bepleisterd (poortje in 1724). De overige vleugels aan noord- en westzijde van het gasthuis zijn van latere datum.

Het Martinikerkhof

Ten noordoosten van de Grote Markt ligt het Martinikerkhof. De plek geldt als één van de meest kalme plekken van de stad met als mooiste gebouwen het provinciehuis en het Prinsenhof, maar tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw was het in gebruik als parkeerterrein. Hier stond ook het meest mysterieuze gebouw van Groningen: de Sint-Walburgkerk. De locatie van de in 1627 gesloopte kerk is gemarkeerd. Achter het Prinsenhof ligt de fraaie Prinsentuin met hierin één van de rijkst vormgegeven zonnewijzers van het land. Het Martinikerkhof is één van de drie grote pleinen in de binnenstad, door de eeuwen heen vooral omgeven door gebouwen met een kerkelijke of bestuurlijke functie. De andere twee zijn de Grote Markt en de Vismarkt.

De oudste bewoning van het Martinikerkhof is uit de vierde eeuw voor het begin van de jaartelling. Op het plein stond van 1112 tot 1627 de Sint-Walburgkerk, een kerkburcht die diende als bolwerk van de bisschop van Utrecht. Op de plaats waar ooit een waterput van de Sint-Walburgkerk was, staat sinds 1990 het kunstwerk ‘Het Tiende Teken’, in de vorm van een put. De hoekpunten van het kunstwerk verwijzen naar de negen andere stadmarkeringen.

Het Sint-Walburgkerkhof als begraafplaats is in de 17e eeuw vervangen door het Nieuwe Kerkhof. Het Martinikerkhof is in gebruik geweest tot 1828 toen wettelijk niet meer binnen de stadsmuren mocht worden begraven. De oudste graven in het eerdere heidense grafveld liggen tot onder de Grote Markt en dateren uit de vijfde eeuw, die van het Martinikerkhof uit de 9e eeuw.

Kerken in Groningen

Der Aa-kerk

Achter de Korenbeurs verheft zich de Der Aa-kerk, na de Martinikerk de tweede parochiekerk van de historische stad. Iets verder naar het westen, langs het water, of in het Gronings ‘het diep’, staat langs het Hoge der A een aantal fraaie pakhuizen en woonhuizen. Ook langs de Noorderhaven staan dergelijke panden. Der Aa-kerk, oorspronkelijk Kerk van Onze Lieve Vrouwe ter Aa genaamd, werd gebouwd voor de katholieke eredienst en bij de Reformatie overgenomen door de protestanten. Na de Martinikerk is dit het belangrijkste overgebleven middeleeuwse kerkgebouw van de stad. Gezien vanaf de Vismarkt torent de kerk, gelegen aan het Akerkhof, hoog uit boven de Korenbeurs. De naam van de kerk is afgeleid van de vlakbij stromende Drentsche Aa, die deel uitmaakt van de Groninger Diepenring. De omgeving van de kerk, vooral de straat van het Hoge der Aa naar de Grote Markt, vormt waarschijnlijk het oudste deel van de Groninger nederzetting.

Oorspronkelijk stond hier een kapel gewijd aan Sint-Nicolaas en Maria. Sint-Nicolaas was de schutspatroon van de schippers die vlakbij hun schepen afmeerden. De kapel ontstond vanuit de Martinikerk en ontving tussen 1212 en 1227 de status van parochiekerk (in 1247 nogmaals bekrachtigd). De kerk kreeg de naam Onze Lieve Vrouwe ter Aa. De kapel werd regelmatig verbouwd, zodat er in de vijftiende eeuw (1425-1495) een bakstenen kruisbasiliek stond. De kerk onderging daarna nog verschillende wijzigingen als gevolg van vernielingen door oorlogsgeweld en het daaropvolgende herstel. In 1711 werd met de bouw van een nieuwe toren begonnen. Hierbij werd het schip iets ingekort. Deze toren kreeg in 1714 drie barokke klokken. In de jaren na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal gelovigen in Groningen sterk af en het gebouw raakte in verval. Het koor werd zelfs jarenlang als fietsenstalling gebruikt. De toren was, zoals de meeste kerktorens, sinds het begin van de negentiende eeuw bezit van de overheid en werd wel redelijk onderhouden. Bij een grote restauratie van kerk en toren in 1982 werd het kleurenschema van de toren, dat bestond uit zachtgrijs en blauw, opvallend gewijzigd. De architecten kozen voor een historische reconstructie en lieten delen van de toren okergeel schilderen. Het gebouw is niet meer als kerk in gebruik, maar wordt gebruikt voor het houden van bijeenkomsten en evenementen.

Sint-Jozefkathedraal

Aan de Radesingel staat de Sint-Jozefkathedraal, een werk van Pierre Cuypers. De Sint-Jozefkathedraal, ook Sint-Jozefkerk, is in neogotische stijl gebouwd van 1885 tot 1887. In opdracht van het kerkbestuur moest het een kopie worden van de Sint-Vituskerk in Bussum, maar dan 1,5 meter hoger. De toren mocht Cuypers wel zelf ontwerpen. Het werd een voor het noorden zeer opvallende zeskante hoogopgaande romp met een open stalen spits. Cuypers baseerde de vorm van de kerk op de Broederenkerk te Zutphen; een driebeukige basiliek zonder transept met forse steunberen en luchtbogen.

Het ontwerp van de toren is op twee punten bijzonder: de zeskantige vorm en het gebruik van gietijzer als materiaal voor de 78 meter hoge torenspits. Vanuit alle kijkrichtingen zijn er twee wijzerplaten te zien (wat bij een vierkante toren ook kan), en vaak zelfs drie (wat bij vierkante torens onmogelijk is). Over het zien van drie klokken tegelijk wordt door sommige gegrapt dat het een effect is van alcohol. Dankzij deze eigenaardigheid heeft de toren de bijnaam ‘dronkemanstoren’ gekregen. De kerk heeft een prachtig interieur.

Meer informatie vind je hier.

Museum in Groningen

Groninger Museum

Het Groninger Museum is het belangrijkste museum van de stad. Oorspronkelijk was dit een vrij traditioneel provinciaal streekmuseum, maar het heeft zich ontwikkeld tot één van de vernieuwende musea van Nederland, vooral sinds de nieuwbouw op een kunstmatig eiland in het Verbindingskanaal. De eerste basis van het museum was het Museum van Germaanse Oudheden, dat in 1847 werd opgericht. Destijds bestonden er al meerdere musea in Groningen, verbonden aan de universiteit, waaronder het Museum van Natuurlijke Historie (ca. 1820) en de Verzameling voor Mineralogie, Geologie, Zoölogie en Zoötomie (1815), die nu onderdeel vormen van het Universiteitsmuseum. De collecties werden eerst ondergebracht in een kamer van het Provinciehuis, maar toen deze te klein werd vond Johan Adriaan Feith een pand aan de Zuidersingelstraat (nu Ubbo Emmiusstraat) voor de collecties.

Tot de bekendste zalen behoorden de Taco Mesdagzalen, ingericht met de kunstcollectie die in 1903 was geschonken door Geesje Mesdag-van Calcar, de weduwe van Taco Mesdag. Van 1921 tot 1966 besteedde conservatrice Minke Visser veel aandacht aan het uitbreiden en verdiepen van de collectie Aziatische kunst. Het exportporselein van de VOC vormt met circa negenduizend stukken een belangrijk onderdeel van de collectie.

In de loop der jaren werd het gebouw aan de Praediniussingel steeds verder uitgebreid, evenals de collecties. In de jaren 1950 werd gesproken over het verplaatsen van het museum naar het Prinsenhof, maar dit ging niet door en daarom werd in de jaren zeventig besloten het pand aan de Praediniussingel te verbouwen.

In 1987 schonk de Nederlandse Gasunie 25 miljoen gulden aan de Gemeente Groningen. Daardoor werd het mogelijk om een compleet nieuw gebouw te bouwen. Het Groninger Museum moest zich in het Verbindingskanaal tussen de zuidkant van het centrum en het hoofdstation gaan vestigen op een locatie die het stationsgebied verbindt met de binnenstad. Het ontwerp van het Groninger Museum ziet eruit als een langwerpig eiland. Het bestaat uit drie grote volumes in het water en wordt verbonden door gangen en twee pleinen. Het geheel moest lang uitgestrekt worden en bestaan uit kleine bouwgedeelten. Door die architectuur bleef namelijk het doorzicht voor de bewoners van de singel bestaan. Ook bleef scheepvaart mogelijk via het Verbindingskanaal.

De collectie van het Groninger Museum bestaat uit meer dan 80.000 objecten. In de collectie zijn verschillende deelgebieden:

  • Archeologie en Geschiedenis van Groningen en ommeland
  • Beeldende kunst
  • Chinees en Japans porselein
  • De Ploeg
  • Fotografie
  • Hedendaagse kunst
  • Mode
  • Oude beeldende kunst
  • Vormgeving

Meer informatie vind je hier.

Universiteitsmuseum Groningen

Het Universiteitsmuseum werd in 1932 opgericht door de toenmalige rector magnificus, professor Anton Gerard Roos. De collectie werd gevormd door giften van hoogleraren en alumni. De museale collectie is verder uitgebreid na sluiting van enkele andere musea die onder de universiteit vielen.

  • Collectie zaden, bloemen en afdrukken van planten van het vroegere Botanisch Museum (1870-jaren 1980).
  • Anatomische en pathologische collectie van het vroegere Anatomisch Museum (ca. 1820-2003), dat ooit werd opgericht uit het anatomisch theater uit 1615 en eerst gevestigd was in de Broerkerk. Ook zie je hier oude medische en tandheelkundige instrumenten.
    Er is ook een kamer speciaal ingericht ter herdenking van de Nederlandse feministe Aletta Jacobs, vooral vanwege haar vernieuwende werk als arts. In de kamer zijn persoonlijke voorwerpen van Aletta Jacobs te zien, onder meer haar bureau en haar hutkoffer.
  • De psychologische collectie bestaat uit instrumenten ten behoeve van de experimentele psychologie, waarmee onder andere de waarneming en het geheugen onderzocht konden worden.
  • Volkenkundige collectie. Deze collectie omvat voorwerpen uit allerlei culturen, waaronder een mummie. 2200 etnografische objecten, waarvan een derde afkomstig is uit Papoea, ruim een derde uit West- en Centraal-Afrika en verder veel van andere eilanden uit het Pacifisch gebied en Australië, Indonesië en Noord- en Zuid-Amerika.

De collectie omvat verder voorwerpen over de universiteit en het studentenleven teruggaand tot de oprichting van de universiteit in 1614, voorlopers van de computer, fossielen en mineralen, microscopen en verscheidene natuurkundige en sterrenkundige instrumenten.

Meer informatie vind je hier.

Noordelijk Scheepvaartmuseum

Het Noordelijk Scheepvaartmuseum is een museum over de geschiedenis van de scheepsbouw en de scheepvaart in de provincie Groningen. Door het jaar heen zijn er wisselende geschiedenis- en kunsttentoonstellingen te zien. In samenwerking met het Huis van de Groninger Cultuur is er een animatiefilm ontwikkeld die Groningen in 1470 toont. Het museum is tegenwoordig gevestigd in twee veertiende-eeuwse panden in de Brugstraat.

In 1930 werd de vereniging Het Noordelijk Scheepvaartmuseum opgericht. Twee jaar later werd daadwerkelijk een museum geopend, toen gevestigd in het Goudkantoor aan de Grote Markt. Hoewel het Goudkantoor de bevrijding van Groningen ongeschonden doorstond ging in 1945 een groot deel van de collectie verloren, nadat deze uit voorzorg verplaatst was naar een pand aan de noordzijde van de markt, dat door brand verwoest werd.

Na de oorlog verhuisde het museum naar de Sint-Walburgstraat. In 1969 werd het Gotisch Huis aangekocht door Theodorus Niemeijer, die er een tabaksmuseum in vestigde. Het pand werd geschonken aan de gemeente, waarna, na de aankoop van het Canterhuis door het Scheepvaartmuseum een aantal jaar later, beide panden samen werden gevoegd en sindsdien het museum huisvesten. Per 1 januari 2011 is het Tabaksmuseum gesloten.

Het museum wil zich ontwikkelen van maritiem naar meer algemeen historisch museum. De gemeente Groningen heeft in 2014 aangegeven te willen streven naar een Huis van de Groningse Geschiedenis in een Historisch Kwartier, met als kern het museum en zijn historische panden. Het Noordelijk Scheepvaartmuseum heeft deze rol op zich genomen en is met verschillende partijen in gesprek over deze verandering onder de nieuwe naam Museum aan de A. In 2020 hebben het museum, de Groninger Archieven, het Noorderpoort College en het Groninger Museum aangegeven samen te werken om tot dit nieuwe museum te komen.

Het Noordelijk Scheepvaartmuseum bezit een museumschip: de Emma (PW17). Dit directievaartuig werd in 1922 gebouwd op Groninger scheepswerf Gideon. Na haar trouwe dienst werd het schip in 2010 verkocht aan het Noordelijk Scheepvaartmuseum. Sinds 7 april 2011 doet de Emma dienst als promotie- en presentatieschip van het museum bij evenementen.

Meer informatie vind je hier.

GR-ID

Het GR-ID is gewijd aan grafische kunst en druktechnieken. Ook is het een cursuscentrum voor grafische technieken en worden er regelmatig exposities gehouden van grafische kunstenaars. Het was tot begin 2015 gevestigd in de Rivierenbuurt, nabij het Groninger hoofdstation. Sinds 2015 bevindt het museum zich aan de Sint Jansstraat, naast de Martinikerk en aan de Grote Markt met uitzicht op het Forum Groningen.

Het oorspronkelijke Grafisch Museum Groningen kwam voort uit de Groninger Vereniging tot Behoud van Grafische Machines. Deze organisatie zette zich in voor het behoud van de drukapparatuur en het vakmanschap die verloren dreigden te gaan als gevolg van technische ontwikkelingen in de grafische industrie in de jaren ‘50 en ‘60 van de twintigste eeuw. Allerlei drukmachines werden daarvoor overal in Groningen en omgeving opgeslagen.

Het Grafisch Museum werd in januari 1991 officieel geopend. In 1993 werd de zolder van het oude pand verbouwd tot Werkman-atelier, waar aan de hand van voorbeelden met oorspronkelijk materiaal de totstandkoming wordt gedemonstreerd van de zelfbedachte technieken van de Groninger graficus Hendrik Werkman (1882-1945). In de ruimte waren verschillende ter plekke geproduceerde reproducties van zijn druksels (zoals hij ze zelf noemde) te bezichtigen. Ook werden er cursussen Werkmantechnieken gegeven.

In november 2012 wijzigde het museum naam zijn naam in GR-ID: Museum voor het realiseren van grafische ideeën, waarbij de letters staan voor “GRafische IDeeën en GRoninger IDentiteit”. In het GRID wordt aan de hand van diverse machines een beeld gegeven van de geschiedenis van de bedrijfstak en “de geschiedenis van het gedrukte woord van Laurens Janszoon Coster tot Apple Macintosh”. De aanwezige apparatuur wordt door vakmensen gedemonstreerd. Verder wordt onder andere informatie gegeven over allerlei druktechnieken, zoals vlakdruk en diepdruk. Ook aan boekbinden wordt aandacht besteed.

Meer informatie vind je hier.

Winkelen in Groningen

https://www.mamaliefde.nl/wp-content/uploads/2016/07/4095818947-18881897_1215507421905067_8331325304597796735_n.jpg.webp

Groningen is een zeer geschikte stad om te winkelen. Je vindt hier diverse conceptstores die uniek zijn in Nederland, en ook een aanrader om te bezoeken met kinderen! Aanraders zijn onder andere:

  • ‘Kaaskopje’; een kaas-, wijn-, tapas- en nog meer-winkel waar je onder andere kaas en worst kan proeven, ze hebben hier zelfs veganistische kaas. Maar ook pindakaas die je in je eigen potjes kan schenken om afval te voorkomen. De eigenaar wist echt heel veel over alles.
  • Daar tegenover vind je Musjes; een lokale speelgoed- en kinderwinkel die ook ver daarbuiten bekend is! Dit is namelijk meer dan alleen een winkel, het is ook een restaurant en ontmoetingsplaats voor ouders waar je even kan bijkomen en rustig wat kan eten en drinken. Regelmatig worden hier ook activiteiten en workshops georganiseerd.
  • A Little Lovely Company is ook een conceptstore die tot ver buiten de stad Groningen bekend is en een aanrader om te bezoeken. Wel opgepast want je wordt hier heel hebberig, ze hebben zoveel leuke dingen.
  • Ook Denderz is een aanrader. Het assortiment van de winkel is vooral gericht op baby’s en jonge kinderen tot en met 8 jaar. Daarnaast kun je hier terecht voor goede kinderschoenen. En ook hier vind je een horecagedeelte met restaurant.

Een stukje geschiedenis

Groningen ontstond op de noordelijkste uitloper van de Hondsrug. De oudste schriftelijke vermelding die bekend is, villa Cruoninga, komt uit 1040, maar het staat vast dat de huidige stad al sinds de derde eeuw een bewoonde plaats was. De oudste archeologische vondsten binnen het gebied van de huidige stad zijn met behulp van de C14-methode gedateerd op circa 3950–3720 voor Chr. Groningen is waarschijnlijk ontstaan uit twee verschillende kernen die rond 700 zijn ontstaan; de ene lag rond het huidige Martinikerkhof en de andere tussen het Zuiderdiep en het Verbindingskanaal. De stad was een esdorp met een brink (de Grote Markt) en aan de noord- en zuidzijde twee essen.
In 1040 schonk de Duitse keizer goederen en rechten aan de kerk van Utrecht. Eerder waren al delen van het koningsgoed geschonken aan het Klooster Werden. Waarschijnlijk werd kort voor deze akte op aansporing van de bisschop al begonnen met de aanleg van een gedeeltelijke landweer rond zijn eigendommen, waarmee Groningen ook wat betreft uitstraling een stad werd. De bisschop was vermoedelijk ook verantwoordelijk voor veel planologische ontwikkelingen in de 11e en 12e eeuw, zoals de aanleg van een patroon van keienstraten met bermsloten dat lijkt te zijn gebaseerd op een Romeins castellum en de bouw van de Sint-Walburgkerk rond 1100 als eigen privékapel.
Groningen had in deze periode al een marktfunctie voor de directe omgeving. De oudste kerk, de Maartenskerk, werd gesticht rond 800. Deel van de schenking was ook het muntrecht, waar de Utrechtse bisschop ook gebruik van heeft gemaakt. Rond het jaar 1000 wordt de houten Maartenskerk, mogelijk na verwoesting door de Noormannen, vervangen door een tufstenen exemplaar en rond 1200 door een eerste bakstenen kerk.

Vanaf 1227 is er sprake van een heftige strijd tussen de bisschop en een deel van de inwoners van de stad. Er ontstonden twee groepen: de volgelingen van de prefect en de Stadjers die zichzelf in staat achten hun eigen belangen te behartigen. De macht van de bisschop, en diens prefect, wordt ernstig aangetast in de Slag bij Ane als bisschoppelijke troepen, die orde op zaken willen stellen in Groningen, een smadelijke nederlaag lijden. Groningen zal zich daarna weinig meer van de bisschop aantrekken. In de 14e eeuw worden alle steunpunten van de prefect verwoest of opgekocht en gesloopt. Er komen stenen omwallingen en woonhuizen en het dorp groeit meer uit tot een stad.

In de vijftiende eeuw kent Groningen een periode van grote bloei. in deze periode wordt de huidige Martinitoren gebouwd. De toren symboliseert de macht die de Stadjers zichzelf toedichten. In 1473 verwerft de stad het stapelrecht, waardoor alle goederen uit de Ommelanden voortaan als eerste moesten worden aangeboden in de stad, iets dat vooral onder de boeren tot veel weerstand leidde.
De stad koos uit eigenbelang na het uitbreken van de opstand voor Spanje, maar sloot zich in 1594 alsnog aan bij de Republiek.

Groningen kreeg in 1614 zijn universiteit, begonnen als predikantenopleiding. Ook werd de omwalling van Vesting Groningen verbeterd. De stad kreeg zo haar kenmerkende structuur met 17 dwingers. Die nieuwe vesting werd in 1672 vergeefs belegerd door de bisschop van Münster, Bernhard von Galen. Ieder jaar op 28 augustus viert de stad de overwinning op Bommen Berend (Gronings Ontzet). In 1698 werd de vesting versterkt.

Na de Reformatie vervalt het landbezit van de Groninger kloosters aan de provincie. In 1637 werd het Winschoterdiep aangelegd, waarmee de stad de hele turfhandel in Oost-Groningen naar zich toe wist te trekken. De kanalen waarlangs de turf wordt vervoerd worden door de stad (het Stadskanaal) aangelegd en geëxploiteerd. De turfhandel en het grondbezit in de Veenkoloniën zorgen voor een stevige basis onder de Groninger welvaart. De vestingwet van 1874 maakte een einde aan de Vesting Groningen. Op de oude wallen ontstond het Noorderplantsoen en werd het Academisch Ziekenhuis gevestigd. Buiten de oude omwalling ontstonden nieuwe wijken.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen in totaal 3300 inwoners om, onder hen 2800 Joodse burgers. De stad had in 1940 een bloeiende Joodse gemeenschap van ongeveer 3000 mensen, onder wie 250 vluchtelingen uit Duitsland. De eerste Groninger Joden – 600 mannen – werden door de Duitsers vanaf augustus 1942 opgeroepen voor werkkampen. Deze deportaties gingen door tot april 1943. Relatief weinig Groningse Joden doken onder. Een studentencomité hielp Joodse kinderen aan onderduikadressen. Op de Grote Markt werd in het Scholtenhuis een afdeling van de SD gevestigd, die een scherpe terreur uitvoerde. De beruchtste deelnemers aan die terreur waren de later ter dood veroordeelde Nederlandse SS’er Pieter Faber (geëxecuteerd) en zijn broer Klaas Carel Faber.

De bevrijding van Groningen in 1945 was een heftige strijd, mede door het relatief grote Duitse garnizoen, waaronder SS’ers. In de stad woonden tegen het begin van de oorlog ongeveer 124.000 mensen, maar door een grote stroom vluchtelingen vanuit het zuiden was dit aantal opgelopen tot meer dan 150.000. Vele verzetsstrijders werden zelfs nog kort voordat Canadese militairen de stad bevrijdden opgepakt en gefusilleerd. De gehele noord- en oostwand van de Grote Markt werd verwoest, de Martinitoren en -kerk bleven gespaard.

Lees ook

Astrid