Oké, pak allemaal jullie boek en neem bladzijde 54 voor je. We beginnen bij som 3. Alleen die zin al, mijn nekharen gaan direct overeind staan. De moed zakt me in de schoenen en het liefst ben ik nu weg.

Grote klassen

In mijn schooltijd (best een eeuwigheid geleden) waren de klassen redelijk gevuld. Met zo’n 25 leerlingen in de schoolbanken werd dit al gezien als een “volle” klas. En dat terwijl er bij mijn kinderen op de basisschool nu zo’n gemiddelde is van 32 (!) leerlingen. Met zijn 25-en moesten we dus continue les na les allemaal tegelijk met dezelfde opgave of opdracht bezig zijn. Het liefst natuurlijk ook allemaal tegelijkertijd klaar zijn, dan had de leerkracht een prima overzicht wie waar was en kon er moeiteloos overgegaan worden naar het volgende vak.

Wat ik me vooral kan herinneren waren de keurige rijtjes waarin we zaten, netjes kaarsrecht achter elkaar met een ruim looppad links en rechts tussen de rijtjes naast je. Je zat zó recht, dat je enkel de rug kon zien van de leerling voor je en je zat er ook vergenoeg vandaan dat je die persoon niet kon tikken op de rug. Je was dus echt helemaal gefocust op jezelf.

Beloningssysteem

Hoewel de focus bij het rekenen toch even anders lag. Hier werd door mijn meester een goed bedoeld beloningssysteem bij gebruikt. We hadden twee rekenboekjes, één met de opgaves die door iedereen gedaan moesten worden en één met een lijst extra opgaves voor de snelle leerlingen onder ons. Waren de sommen gemaakt uit boekje 1, dan moest je dat laten zien en af laten tekenen bij de meester en die gaf dan vervolgens toestemming om aan boekje 2 te beginnen. Had je dáár de som klaar dan mocht je opnieuw bij de meester komen en dan kreeg je een vinkje (als de som goed was uitgerekend) op een speciale lijst. Dit was een soort scorelijst, wie de meeste aantal sommen goed had stond bovenaan en zou aan het einde van het schooljaar een beloning krijgen, een prijs.

Een jongen stond altijd op die magische eerste plaats en zijn beste vriend zat hem in de nek op de tweede plaats. Eigenlijk was het kansloos om hier tegen op te willen boksen, maar ik kon het niet hebben en deed mijn uiterste best om ze van hun “troon” weg te wuiven. Helaas kwam ik nooit verder dan plekje 3. Dit “wedstrijdelement” gaf een nare bijsmaak. De jongens van plek 1 en 2 waren zó eager dat ze steeds uit hun schoolbanken renden om als eerste aan het bureau van de meester te kunnen staan. Terwijl ik hier juist moeite mee had, omdat ik de zucht van kinderen hoorden die nooit opstonden. Ik liep langs mijn vriendinnen, die verbaasd opkeken “nu al weer klaar?!”, ik was bijna geneigd om “sorry” te zeggen. Soms bleef ik ook expres wat langer zitten, alleen om mijn vriendinnen een beter gevoel te kunnen geven. Het “wedstrijdje” was goed bedoeld, daar ben ik nu nog steeds heilig van overtuigd. De meester daagde ons uit, om het beste uit onszelf te halen, maar was dit nu een goede manier? Kon dit niet anders?

Tuurlijk wil iedereen zijn of haar best doen, iedereen aast op een compliment, een schouderklopje, een high-five, een sticker of stempel in je schriftje. Zodra de schriften werden uitgedeeld hoorde je de hele klas bladeren in het schriftje op zoek naar de laatste opdracht, zoekend naar een teken van een positieve waardering in welke vorm dan ook (een krul, een opmerking, een sticker, een stempel). Hard werken loont, dat wordt er met de paplepel (ongemerkt) in gegoten. En iedereen is hier (onbewust) gevoelig voor.

In die zin is iedereen hetzelfde. In die zin wel, maar verder? Zijn we verder ook nog allemaal hetzelfde? Denken we allemaal hetzelfde? Zien we allemaal hetzelfde? Voelen we allemaal hetzelfde?

Gelijke kansen

Iedereen verdient in ieder geval wel gelijke kansen, daar heeft iedereen recht op. Ook op school. Ieder kind, hoe jong ook, verdient goed onderwijs, verdient het om zijn of haar talent te ontdekken en die op te schroeven tot het maximale. En de weg om je talent te ontdekken ligt ook weer per kind anders. De één is praktisch ingesteld en leert het beste door te doen, de ander wil graag juist veel lezen over specifieke onderwerpen en dan zijn er ook nog leerlingen die extra oefening nodig hebben.

Kinderen leren van elkaar

Om de talenten te kunnen uitdagen is het dus onmogelijk om allemaal op dezelfde manier les te krijgen, in hetzelfde tempo en op eenzelfde aanpak. Ideaal zou eigenlijk zijn dat ieder kind een privéleerkracht tot zijn of haar beschikking heeft, maar helaas dat zit er niet in.

Toch leren kinderen onderling ook heel veel van elkaar. Door naar elkaar te luisteren en te kijken zien en leren ze (ongemerkt) ook heel veel. Het werken in groepsverband en dan opdrachtjes in samenwerking uit te voeren stimuleert ook en zal voor de leerlingen laagdrempelig worden ervaren (want wie steekt er nu graag zijn vinger op om hardop “ik snap het niet” te moeten roepen in de klas?) Kinderen spreken eenzelfde taal en kunnen elkaar prima helpen als ze vastlopen.

Ook voor kinderen met een taalachterstand werkt dit goed. Kinderen leren onderling veel van elkaar, sociaal-emotioneel worden ze sterker, ze leren dat iedereen anders is, maar ook dat dit oké is, dat je een bepaalde manier van denken hebt en dat dit dus niet per definitie fout-denken is. Er zijn ook meerdere mogelijkheden om tot een oplossing te komen. Het is verhelderend en je leert gaandeweg omgaan met verschillende type denkers. Dit gaat je de rest van je leven alleen maar positief helpen.

Onderwijs op maat

Er wordt steeds meer naar “onderwijs op maat” gezocht. Werken op verschillende niveaus, met de mogelijkheid om op eigen wijze en tempo te kunnen leren. Dit ideaal wordt ook wel “passend onderwijs” of “adaptief onderwijs” genoemd. Het grootste voordeel is dat kinderen minder snel doorstromen naar speciaal onderwijs. Zodat deze scholen ook echt kleinschalig in groepsgrootte kunnen blijven voor extra aandacht en zorg binnen het onderwijs.

Uitdaging

Een mooi streven voor het speciaal onderwijs, dat is het absoluut. Maar als kinderen dus langer op het reguliere onderwijs blijven, is het dus niet reëel om te denken dat iedereen op eenzelfde manier kan leskrijgen. Er zullen dus kinderen in de groep zitten die uitvallen in bepaalde vakken en hier extra zorg bij nodig hebben. Het wordt echter lastig als de groepen zo enorm groot worden.

En zeker als er meerdere leerkrachten voor de groep staan omdat de meeste leerkrachten parttime werken. Dat vergt extra veel van een leerkracht om een goed doortastend beeld te vormen van alle leerlingen. Extra overleg naast het gewone werk dus om onderling een juiste aanpak te bedenken per kind (!) en dit goed weer te geven in allerlei verslagen zodat iedereen goed kan zien waar het kind in het leerproces zit. De druk ligt hierdoor hoog bij een leerkracht. Er moeten diverse ballen in de lucht hoog gehouden worden en de leerkracht moet op alle gebied kundig genoeg zijn om de leerling goed op te kunnen vangen en extra begeleiding te kunnen bieden.

Respect

Ga er maar aan staan! Diep respect hoor voor de leerkrachten! Dit geeft je misschien wel stof tot nadenken, niet te snel klagen op school, even tot tien tellen, laat je frustratie even bekoelen en glimlach naar de juf of meester als jij je kind morgen weer naar school brengt. Wees lief voor elkaar, we hebben elkaar veel te hard nodig.

Liefs, Isabell

Lees ook: Help; mijn kind zit in een plofklas
Lees ook: Basisschool kiezen