Melk is een stadje in de Oostenrijkse deelstaat Neder-Oostenrijk. Het ligt ten westen van Wenen. De plaats ligt aan de rechteroever van de Donau, die bij Melk via een brug overgestoken kan worden. De rivieren de Pielach en de Melk monden bij de plaats Melk in de Donau uit. Het stadje ligt aan de rand van de Wachau, een gedeelte van het Donaudal waar veel wijnbouw is en dat op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO staat. In Melk vind je de wereldberoemde barokke abdij van Melk met schitterende kunst. De abdij is ontworpen door Jakob Prandtauer en in 1702 gebouwd. Vooral de bibliotheek en de kloosterkerk met zijn vele fresco’s, zijn het bezichtigen waard. Keizer Franz Jozef I verbleef hier regelmatig als hij op doorreis was. Het enorme gebouw is vanaf de snelweg Linz-Wenen goed zichtbaar. De Italiaanse auteur Umberto Eco laat het benedictijner klooster van Melk een rol spelen in zijn boek “De naam van de roos”. Het manuscript met dit verhaal zou in de bibliotheek van deze abdij gevonden zijn. Zelf was ik hier in 2003, tijdens een excursiereis door Wenen en omgeving. Ik vond het zeer indrukwekkend. Er zijn ook verschillende boottochten door de Wachau, vanuit Wenen of Krems, die naar Melk gaan. Ook is het Donau-gebied een populair fietsgebied. Maar je kunt natuurlijk ook gewoon met de trein.

Benedictijnenabdij

De Abdij van Melk (Stift Melk) is een benedictijnenabdij en werd in 1089 gesticht in een kasteel, dat markgraaf Leopold II aan de Benedictijnen gegeven had. De abdij staat op een rots met uitzicht op de Donau, en was waarschijnlijk al in de Romeinse tijd bewoond. In de tiende eeuw stond er een kasteel van een Beierse graaf.

Er is niet veel bekend over de eerste periode van de Babenbergse markgraven en de stichting van het klooster. Een jaarboek uit 1170 die door een monnik uit Melk geschreven werd voor de zoon en opvolger van hertog Hendrik II geeft wel een aantal details en verwijzingen, maar daarvan werd gedacht dat het verzonnen was. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werden de graven van de Babenbergers geopend en met de moderne wetenschap onderzocht. Dat heeft aangetoond dat de bovengenoemde kroniek in elk geval op een aantal punten wel klopt.

Kasteel van de Babenbergers

Melk werd aan het begin van de 11e eeuw de residentie en het machtscentrum van de markgraven van het latere huis Babenberg. Het lag destijds in een grensgebied. De Babenbergers bouwden op de rots van Melk een nieuw kasteel. Het kasteel bestond uit een versterking met een vorstelijk woonhuis voor de markgraaf, een kerk, een huis voor kanunniken en een aantal bijgebouwen. Een aantal Babenbergse markgraven en wat familieleden werden in deze kerk begraven. In 1014 werd ook het gebeente van de heilige Coloman in de kerk bijgezet, waardoor Melk een bedevaartsoord werd. Leopold II verplaatste zijn residentie naar Gars am Kamp. Het kasteel op de rots van Melk werd minder belangrijk. Melk bood onderdak aan bisschop Altmann van Passau die uit Passau had moeten vluchten door een conflict met de Duitse keizer, de Investituurstrijd. Markgraaf Leopold II (1050-1095) maakte van het kasteel een klooster. Altmann van Passau en de vrouw van Leopold II zouden voor deze beslissing hebben gepleit.
In 1089 trokken elf benedictijnse monniken uit het hoofdklooster Lambach samen met hun abt Sigibold in het klooster en startten op 21 maart 1089, de feestdag van Benedictus, met de eredienst. Omdat het klooster door de markgraaf gesticht was, hoorde het niet meer bij de bisschop van Passau, maar hoorde het direct onder de paus. De paus Paschalis II, en later de pausen Calixtus II en Innocentius II, stemden schriftelijk in met hun speciale bescherming van het klooster. Deze brieven zijn nog in het bezit van het klooster.

Klooster

De abdij was in principe zelfstandig van de markgraven. Leopold III (1073-1136) deed diverse schenkingen aan het klooster. Zo schonk hij voor 1108 de parochie Wullersdorf aan het klooster. Op 14 augustus 1297 brandde het klooster, de bijgebouwen en de bibliotheek af. Veel kunstschatten en handschriften gingen verloren. De bibliotheek van Melk heeft wel nog negentig handschriften uit de twaalfde en dertiende eeuw. Begin veertiende eeuw werd het klooster herbouwd. Bij het begin van de 16e eeuw werden de bezittingen van de abdij in de omgeving van Wenen vernield in de oorlogen met de Ottomaanse Turken. In de 16e eeuw was de abdij het voorbeeld voor een kloosterreformatie, de Melker Reform, die een grote invloed had op het kloosterleven in Oostenrijk en Zuid-Duitsland.
In de 17e eeuw kreeg de abdij haar economische zelfstandigheid terug. Er kwam een kloosterreformatie, de tweede Melker Reform. Veel kloosters kregen een abt uit Melk, zoals klooster Seitenstetten. De abdij werd een centrum van de contrareformatie.

Begin 18de eeuw werd de kerk en de abdij in barokstijl herbouwd. Er kwam een indrukwekkende kerk en nieuwe kloostergebouwen. De abdij is één van de plaatsen in de Wachau die op de werelderfgoedlijst van UNESCO staat. Aan de abdij is een school verbonden.

Architectuur en bezienswaardigheden

De abdij is het grootste klooster van de Oostenrijkse barok. De zuidelijke vleugel met zijn prachtige marmeren hal is meer dan 240 meter lang, de totale lengte van de hoofdas is 320 meter. De meeste bezoekers bezoeken het gebouw vanuit het oosten. Het portaal heeft twee bastions. Het zuidelijke bastion is een fort uit 1650. Er werd een tweede bastion gebouwd aan de rechterkant van het portaal. Aan beide zijden van de poort staan ​​twee beelden, St. Leopold en St. Koloman. Op de dakgevel staan engelen. Doorlopend kom je in de Torwartlhof, daar vind je de receptie en het loket voor toeristen. Aan de rechterkant is één van de twee Babenberg-torens, restanten van het oude fort. Recht voor je zie je de oostelijke gevel, de prachtige ontvangstzijde van het kasteelachtige kloostercomplex. Vanaf het kleine balkon boven de poort werden vroeger de gasten door de abten begroet. Rechts en links op het balkon staan ​​beelden van de apostelen Petrus en Paulus, de beschermheren van de kerk. De grootste schat van het klooster, de Melker Kreuz uit 1362, staat op de bovenkant van de gevel. Dit is een replica.

  • Als de boog binnengaat, kom je in een lichte hal met twee verdiepingen, de Benediktihalle. Het fresco op het plafond van deze hal toont Sint-Benedictus De originele versie van Franz Rosenstingl werd in 1852 vernieuwd door Friedrich Schilcher. Vanaf de Benediktihalle kijk je uit op het Prälatenhof. De basis is trapeziumvormig.
  • De gevelstructuur van de omliggende gebouwen is gericht op eenvoudige harmonie. Barokke schilderijen van Franz Rosenstingl op de centrale gevels, de afbeeldingen van de vier kardinale deugden, werden in het midden van de 19e eeuw vervangen door fresco’s van de historische schilder Friedrich Schilcher. Deze bleken op hun beurt niet te herstellen bij de grote restauratie in de jaren tachtig. Ze werden daarom in 1988 vervangen door moderne voorstellingen van Peter Bischof en Helmut Krumpel.
  • Via de poort linksachter (zuidwesten) hoek van het Prälatenhof kom je bij de Kaiserstiege, die brengt je naar de keizerlijke vleugel. Boven zie je een rijke decoratie met stucwerk en allegorische sculpturen: Constantia en Fortitudo. Het fresco op het plafond toont jongens die spelen met adelaars, die wijzen naar de keizerlijke tweekoppige adelaar. Dit laat zowel de religieuze als de politieke rol zien die het klooster had in de Oostenrijkse staatsstructuur. In de Kaisergang op de eerste verdieping hangen geschilderde portretten van alle Oostenrijkse heersers van de huizen Babenberg en Habsburg. De meeste oudere portretten werden in 1759 geschilderd door Franz Joseph Kremer, de huisschilder van de abdij.
  • Links van de gang zijn de kamers van de keizerlijke familie. Nu vind je in deze kamers het Abdijmuseum, waarbij elke kamer één of twee specifieke thema’s behandelt over de geschiedenis en de kunst uit het eeuwenlange bestaan van het klooster en de omgeving.
    De aangrenzende marmeren hal was bedoeld als feest- en eetzaal voor niet-religieuze gasten, vooral voor het keizerlijke hof. De hal werd verwarmd door het ijzeren rooster in de vloer van het midden van de hal. De deurpanelen zijn gemaakt van echt marmer uit Salzburg, de muren van stucwerkmarmer. Het plafondfresco uit 1731 is een allegorisch schilderij van de godin Pallas Athena op het rijtuig van de leeuw en Hercules die de hellehond knuppelde.
  • De bibliotheek is de tweede belangrijkste ruimte van het klooster na de kerk. Deze bibliotheek is verdeeld in twee hoofdkamers, die zijn versierd met 1791-1732 geschilderde plafondfresco’s. Het fresco in de grootste van de twee kamers beeldt een allegorie van het geloof af, een vrouw met het boek met zeven zegels, het Lam van de Apocalyps en een schild met de Duif van de Geest, omringd door engelenfiguren en allegorische belichamingen van de vier kardinale deugden van wijsheid, gerechtigheid, koppigheid en gematigdheid. In de bibliotheek zijn ongeveer 1800 manuscripten vanaf de 9e eeuw, inclusief een exemplaar van Vergil uit de 10e tot 11e eeuw. Er zijn ook 750 incunabelen. In totaal bevat de bibliotheek ongeveer 100.000 stuks.
  • De collegiale kerk is het herkenningspunt van de stad Melk en de Wachau en wordt gezien als één van de mooiste barokke kerken in Oostenrijk. Zelf was ik er ook erg van onder de indruk. De kerk is een machtige gewelfde hal met kapellen en galerijen, evenals een enorme, 64 meter hoge trommelkoepel. Op de gevel zijn de twee heiligen van de kerk, Petrus en Paulus, en boven het portaal staan ​​beelden van de aartsengel Michaël (links) en een beschermengel (rechts). Op het fronton tussen de twee torens staat een enorm standbeeld van de verrezen Christus, met aan zijn zijde twee engelen. Het interieur is rijkelijk versierd met bladgoud, stucwerk en marmer. Het centrale thema van het vergulde hoogaltaar is het afscheid van de apostelen Petrus en Paulus van elkaar. Volgens de legende werden ze op dezelfde dag uit de Mamertine-kerker geleid voor hun executie. Een enorme gouden kroon over de twee vergulde figuren toont het martelaarschap van de twee in christelijke zin. De twee apostelen zijn omringd door sculpturen van profeten uit het Oude Testament. Boven alles zit God de Vader op de troon onder het kruis. Verder zie je de prachtige fresco’s op het plafond van de pastorie en in het schip in verschillende allegorische voorstellingen. In de koepel zie je het “Hemelse Jeruzalem” met God de Vader, Christus en de Heilige Geest hoog in de lantaarn. Ze worden omringd door de apostelen, Maria en een groep heiligen, die een speciale betekenis hebben voor Melk.

Abdijpark

Naast het portaal is de ingang van het collegiale park. Het park werd in 1746/47 geplant en is in zijn oorspronkelijke vorm bewaard gebleven. In de tuin staat een barok tuinpaviljoen, gebouwd in 1747-1748. De kamers van het paviljoen werden van 1763 tot 1764 geschilderd door Johann Baptist Wenzel Bergl met fresco’s met exotische motieven. Nu is er een café gevestigd in het tuinpaviljoen en wordt het ook gebruikt voor concerten. Het Abdijpark is verdeeld in verschillende gebieden, waaronder het Paradiesgärtlein en het barokke waterreservoir met de 250 jaar oude lindebomen.

Tegenover het portaal bevindt zich de ingang naar een ander deel van het complex, met het abdijrestaurant en een barokke landschapstuin (niet te verwarren met het grote collegiale park).

Meer informatie vind je hier.

Uitgelichte afbeelding 123rf.com

Lees ook

Astrid
Latest posts by Astrid (see all)