Antwerpen in Vlaanderen, België, wie is er nou niet geweest? Moet je daar nou over schrijven, zul je misschien denken. Maar de meesten van ons gaan er winkelen vanwege de uitverkoop of bezoeken de kerstmarkt. Maar zeg nou eens eerlijk, heb je van historisch Antwerpen wel iets meer gezien dan alleen de markt en de kathedraal? Eén van de vele prachtige musea bezocht? Of een ander bijzonder monument? Voor wie dat (nog) niet heeft gedaan en nu nieuwsgierig is, ik ga je er meer over vertellen. Ik ben er regelmatig een dagje geweest en in 2004 zelfs een hele week voor vakantie. De stad ligt grotendeels op de rechteroever van de Schelde en heeft een uitgestrekt havengebied met internationaal vrachtvervoer. Het is na Rotterdam de tweede grootste haven van Europa. De stad is ook zeer bekend vanwege de diamanthandel. Ook wordt de stad de koekenstad genoemd, vanwege de peperkoeken in de zestiende eeuw en later vanwege de vele koekenfabrieken in Antwerpen. De Beukelaer en Parein waren daarvan de bekendste.

Grote Markt

De Grote Markt is een plein in de oude stad. Op wandelafstand van de Schelde. Het is een plein met veel gildehuizen. De gildehuizen Sint-Joris Gildehuis op de Grote Markt 7 en de Valk op Grote Markt 11 zijn de mooiste voorbeelden. Er zijn hier veel restaurants en cafés, in de winter is er een kerstmarkt met een ijsbaan. In 2017 ging de Ronde van Vlaanderen van start op de Grote Markt.

Stadhuis

Het stadhuis is een renaissancegebouw, gebouwd tussen 1561 en 1564. Het middengedeelte heeft ook al wat barokke kenmerken. In de 16de eeuw nam de bevolking van de stad toe, net als de hoeveelheid werk van de burgemeester en de schepenen. Men wilde daarom het toenmalig schepenhuis vervangen voor een nieuwe. De bedoeling was een stadhuis te ontwerpen in de op dat moment nieuwe renaissancestijl. Om bouwkosten te drukken, zouden er op de begane grond winkels komen. Met de verhuur daarvan hoopte men een deel van de kosten terug te verdienen. De Grote Markt was gemeente-eigendom, en zou daarom niets kosten. De bouw werd voltooid in de zomer van 1564. Al in 1576 volgde er een zware klap voor het stadhuis. Soldaten van de Spaanse koning, die in geen maanden soldij hadden ontvangen, besloten de stad te plunderen. Doordat er vanuit het stadhuis flink verzet geboden werd, staken de soldaten het gebouw in brand. Het dak en het interieur overleefden de vuurzee niet. De herstelwerkzaamheden begonnen twee jaar later.

Helemaal bovenaan de gevel, op de klokkentoren, staat de adelaar gericht naar Aken. In het midden van de gevel bevinden zich drie nissen met in elke nis een standbeeld. Het bovenste standbeeld is een afbeelding van Maria. Dit heeft er echter niet altijd gestaan. Tot 1586 stond hier het beeld van Brabo, volgens de legende de stichter van de stad Antwerpen, en van het Hertogdom Brabant. Het beeld werd in 1587 door de jezuïeten verwijderd, die tijdens de contrareformatie een belangrijke rol in het Antwerpse leven speelden. De andere twee beelden symboliseren Vrouwe Justitia (gerechtigheid) en Vrouwe Prudentia (voorzichtigheid); de belangrijkste deugden van het stadsbestuur. Tussen de dames in hangt het wapenschild van de Spaanse koning Filips II die het op dat moment in grote delen van Europa – waaronder ook in Antwerpen – voor het zeggen had. Verder hangt geheel links het wapenschild van de hertog van Brabant, en rechts dat van de Markgraaf van Antwerpen. Op dit laatste wapenschild is een adelaar te zien. De twee zeecentauren links en rechts van Maria verwijzen naar de Schelde.

  • Binnen is de Leyszaal, een erezaal waar gasten worden ontvangen. Boven de deuren hangen elf portretten van de hertogen van Brabant, geschilderd door Hendrik Leys.
  • Ook is er de Kleine Leyszaal, een Trouwzaal met muurschilderingen van Viktor Lagye, de Raadszaal, in gebruik als vergaderruimte voor de gemeenteraadsleden, en met plafondschilderingen van Jacob de Roore uit 1713, ter gelegenheid van de Vrede van Utrecht, het Kabinet van de Burgemeester.
  • De Wandelzaal is op de 1e verdieping, over de volle breedte van de zijgevel aan de Zilversmidstraat, en werd in 1929-1931 ingericht als feestzaal. Het heeft een neorenaissance-interieur. De zaal heeft een aantal kunstschatten, waaronder een kopie van het gewaad van koningin Astrid bij haar intrede in 1935, en de originele hoed.
  • Er is een mooie serie glasramen. De ramen uit de jaren 1950-79 zijn figuratief glas-in-lood volgens de traditionele methode. De overige, meer moderne glasramen aan de lange gevel, tonen een vrijere expressie.

Het stadhuis is nog altijd als stadhuis in gebruik, en daarom niet volledig open voor bezoekers. Het publiek kan wel de maandelijkse zittingen van de gemeenteraad bijwonen in de Raadszaal, en ook de Trouwzaal is tijdens de ceremonie toegankelijk voor de betrokkenen. Naar aanleiding van het 450 jaar jubileum van het Stadhuis in 2015 werd de Wandelzaal opengesteld als tijdelijk café. Slechts een paar keer per jaar, op speciale gelegenheden, opent het stadhuis helemaal zijn deuren. Op dit moment is er een grote restauratie gaande, die eind 2020 afgerond zou moeten zijn.

Brabofontein

De Brabofontein staat voor het stadhuis op de Grote Markt. Op de fontein bevindt zich een bronzen standbeeld van Silvius Brabo van de beeldhouwer Jef Lambeaux uit 1887. De legende van Brabo gaat over de reus Druon Antigoon, die de hand van onwillige tolbetalers afhakte en deze in de Schelde gooide. Brabo doodde echter de reus en hakte op zijn beurt diens eigen hand af, en gooide die in de rivier. Antwerpen zou volgens deze uitleg van Hand werpen komen. Het beeld is alleen wel zo neergezet dat Brabo de hand richting de stad lijkt te gooien. Dat kent zijn oorzaak in de beperkte afstand tussen het stadhuis en het beeld. Als Brabo in de richting van de Schelde was neergezet, zou het lijken alsof Brabo de hand in het stadhuis wil gooien.

Vogeltjes markt

De Vogeltjes markt is een wekelijkse markt op zondag in Antwerpen. De naam Vogelenmarkt komt doordat er vroeger voornamelijk gevogelte verkocht werd. In de 16de eeuw beleeft Antwerpen zijn Gouden Eeuw. In die periode ontstaat ook de Vogelenmarkt. In een akte uit 1272 werd vermeld dat er op de Meir een markt voor wildbraad gehouden werd. In het begin van de 19de eeuw verhuisde de markt naar de huidige locatie. Al lang voor de Eerste Wereldoorlog, en tot in de jaren 1990 werden op de Vogelenmarkt postduiven en levend pluimvee verkocht. Deze markt was in de jaren ‘50 en ‘60 één van de grootste voor post- of wedstrijdduiven in Vlaanderen en de zuidelijke provincies van Nederland. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er ook inheemse en exotische (zang)vogels bij, zoals kanaries, parkieten en vinken. In de jaren ‘70 verminderde het aantal duivenmelkers in de stad en ook de belangstelling voor de duivensport: vooral omdat er striktere voorschriften kwamen op duiventillen en het houden van duiven.

De markt wordt veel door toeristen bezocht vanwege de standwerkers die hun producten demonstreren en aanprijzen. Standwerkers staan meestal op jaarmarkten, maar de Vogelenmarkt is daar een uitzondering op. De markt bevindt zich ook midden in de Antwerpse theaterbuurt bij het Theaterplein, dat in 2008 vernieuwd werd met een luifel die nu een deel van de vogelenmarkt overdekt.

De Meir

De Meir is één van de belangrijkste winkelstraten in de stad. Samen met de De Keyserlei, de Teniersplaats en de Leysstraat vormt de Meir de verbinding tussen het Centraal Station en het historische centrum. De Meir is autovrij. Het oudste gedeelte aan de Huidevettersstraat was in de 13de eeuw alleen een stilstaand water, vandaar de benaming “Meere”. Het werd in 1291-1314 bij de tweede stadsvergroting verder uitgebreid tot de Wapper en in 1410 tot aan de Jezusstraat. In 1489 werd een vaart getrokken tussen de Meirbrug en de Wapper met twee bruggen ter hoogte van de Twaalfmaandenstraat en de Klarenstraat die aansloot op de Herentalsevaart via de Wapper en zorgde voor zoetwater. Vervolgens werd het water in 1541 gedeeltelijk overwelfd en spoedig werd de Meir een voorname, aristocratische straat. Vanaf 1527 tot eind de 18de eeuw stond er tegenover de Huidevettersstraat een monumentaal kruisbeeld. Van de talrijke 16de- en 17de-eeuwse kloosters, de Onze-Lieve-Vrouwebroeders (Sint-Jan Berchmanscollege), de miniemen en de cellebroeders is niets meer zichtbaar; uit de 18de eeuw zijn wel twee patriciërshuizen overgebleven, het zogenaamd Osterriethhuis en het (Koninklijk) Paleis op de Meir. De drang naar pronkerig machtsvertoon in de 19de en de 20e eeuw zorgde voor imposante representatieve gebouwen, zoals banken en verzekeringsmaatschappijen.

Koninklijk Paleis

Het voormalig Koninklijk Paleis op de Meir is een 18de-eeuws stadspaleis en staat op de hoek van de Meir en de Wapper. Het paleis werd gebouwd in het midden van de 18de eeuw als stadspaleis. De rijke koopman Johan Alexander van Susteren (1719-1764), die een vermogen vergaarde met beleggingen in de Oostendse Compagnie, liet het bouwen door de Antwerpse architect Jan Pieter van Baurscheidt de Jonge. Door de gunstige ligging wekte het paleis de aandacht van keizer Napoleon, die het in 1811 kocht. De keizer liet de salons verfraaien en inrichten met Franse empiremeubels. Napoleon heeft nooit in het paleis gewoond. Tijdens de verbanning van de Franse keizer op het eiland Elba heeft zijn rivaal Alexander I van Rusland er wel gewoond. Na de verdrijving van Napoleon werden de Zuidelijke Nederlanden onderdeel van het nieuwe Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en het paleis ging naar de nieuwe koning: Koning Willem I. Na de Belgische opstand van 1830 werd het Paleis opgeëist door het Belgische Voorlopig Bewind.

Het Belgische koningshuis gebruikte het paleis als ontvangst voor gasten die via de haven in het land aankwamen. Leopold II liet het paleis verfraaien en bouwde onder andere een grote spiegelzaal. Hij gaf opdracht voor het bouwen van een verbindingsgalerij tussen de twee zijvleugels. Koning Albert I verbleef er kort tijdens de Eerste Wereldoorlog. In de jaren 60 schonk Koning Boudewijn het paleis aan het volk. Sindsdien waren er in het gebouw culturele evenementen en tijdelijke tentoonstellingen.

Sinds 2010 hebben de zalen en salons op de eerste verdieping een museale functie. Je kunt het paleis als monument bezoeken inclusief de empiremeubels en de decoraties. In de blauwe zaal, vroeger de salon van Napoleon, hangen portretten van Napoleon en Leopold II. Op de begane grond is er een winkel van The Chocolate Line van Dominique Persoone en een koffie- en theehuis.

Meer informatie over het Paleis vind je hier.

Groenplaats

Op de Groenplaats staan diverse bomen met bankjes, het is een heerlijk rustig plekje midden in de stad.

  • In het midden van het plein staat het standbeeld van Rubens. Het is in 1840 ontworpen door Willem Geefs. Er zijn allerlei cafés met terrassen.
  • Je ziet een beeld van Maria tussen de gevels van nummers 29 en 30.
  • Er is het Karbonkelhuis, ook wel Diamanthuis genoemd, gebouwd rond 1520 en één van de eerste woningen in vroegrenaissancestijl.
  • Aan de zuidkant staat het postgebouw.
  • Zeker sinds de 13e eeuw diende de zuidkant van de Onze-Lieve-Vrouwekerk als Antwerpse begraafplaats. Vooral voor de armere bewoners die het zich niet konden veroorloven om begraven te worden in de kerk zelf. In 1784 verbood keizer Jozef II nog langer begraafplaatsen binnen de stadsmuren te gebruiken.  In 1795 werd het Onze-Lieve-Vrouwekerkhof, ook het Groenkerkhof genoemd, door de Fransen opgeëist. Enkele jaren later, in 1799, werden de muren gesloopt.

Met de aanleg van het Gelijkheidsplein werd begonnen in 1803. De huizen gelegen aan de Schoenmarkt tegen het Groenkerkhof werden afgebroken en er werden drie rijen lindebomen aangeplant. In 1805 werd het plechtig ingehuldigd. In 1843 werd het standbeeld van Rubens opgericht, vlak bij de vroegere graftombe van de Antwerpse bisschop Karel d’Espinoza en ter vervanging van het kruis dat sinds 1 november 1739 midden op het kerkhof stond. Er is ook een kiosk voor muzikale evenementen.

Het Steen

Het Steen is een deel van een voormalige ringwalburg aan de rechter Schelde-oever. Het is het oudste bewaarde gebouw van Antwerpen en werd gebouwd tussen 1200 en 1225 als poortgebouw van de Antwerpse burcht. Binnen de Burcht bevonden zich belangrijke instellingen zoals de Vierschaar (de voormalige rechtbank), de Sint-Walburgiskerk, het Reuzenhuis, het Steen, de Werf en de Vismarkt. Rond 1520 werd het poortgebouw van de burcht verbouwd en noemde men het voortaan “‘s-Heeren Steen”. In 1549 schonk Karel V het gebouw aan de stad die het tot 1828 in eigendom had. Van 1303 tot 1823 werd het gebouw als gevangenis gebruikt, daarna als tehuis voor invalide soldaten. Een groot deel van de burcht werd in de jaren 1880 afgebroken toen men de kades recht trok en de Schelde verbreedde. Het overgebleven gebouw werd “Het Steen” genoemd. In 1889-1890 werd een nieuwe vleugel gebouwd en ook andere delen van het gebouw verbouwd.

In 1864 kwam er in het gebouw voor het eerst een museum. Dit museum werd in 1952 vervangen door het Nationaal Scheepvaartmuseum. Het binnengedeelte van dit museum sloot uiteindelijk de deuren op 28 december 2008. De collectie van het Scheepvaartmuseum is sinds 2010 verplaatst naar het nieuwgebouwde Museum aan de Stroom. Het gebouw werd in 2012 herbestemd tot “HETSTEEN der wijzen”, “een actief vragenhuis voor denkers, dromers en doeners”. In 2018 zijn bouwwerken gestart om het gebouw om te vormen naar een toeristisch onthaalcentrum. Bewoners en bezoekers moeten hier terecht kunnen voor informatie, tickets, boekingen en exposities. Er komt ook een stadswinkel en een rustruimte met zicht op de Schelde. Een belevingsparcours zal bezoekers en bewoners meer vertellen over de geschiedenis en de identiteit van de stad en het gebouw zelf.

Ter hoogte van Het Steen komt ook een nieuw ponton van 350 meter lang waaraan zee- en riviercruises kunnen aanmeren. Passagiers komen dan aan in de nieuwe cruiseterminal in Het Steen.

Bijzonderheden:

  • In een nis boven de grote ingangsboog staat een wijdbeens beeldje dat de vruchtbaarheidsgod Semini voorstelt. Oorspronkelijk had dit beeldje ook een lange fallus die vroeger door veel mensen werd vereerd bij vruchtbaarheidsproblemen. Dit deel werd in de 17de eeuw door Jezuïeten afgehakt. Deze gebeurtenis werd later in volksliedjes bezongen en Semini’s naam zelf vinden we nog terug in de Antwerpse krachttermen: “Godsjumenas!” en “Seminis kinderen!”.
  • Waarschijnlijk is dit een restant van een voorchristelijke, Germaanse vruchtbaarheidscultus.
  • Het Steen komt vaak voor in de verhalen van Suske en Wiske, bijvoorbeeld in de albums De zwarte madam (1947), De 7 schaken (1995), De knikkende knoken en De stuivende stad.
  • Bobbejaan Schoepen vermeldt Het Steen in zijn lied ‘k Zie zo gere m’n duivenkot (1949).
  • De opera Lohengrin van Wagner speelt zich af in en rond de Antwerpse burcht Het Steen.

Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience

De Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience is de bewaarbibliotheek van de stad, genoemd naar de Vlaamse volksschrijver Hendrik Conscience, wiens standbeeld voor de bibliotheek staat. Een boek of tijdschrift dat in de collectie van de bewaarbibliotheek wordt opgenomen, blijft voor altijd beschikbaar. De oorsprong gaat terug tot 1481. De collectie telt meer dan 1 miljoen volumes. Nadat in 1621 de Sint-Carolus Borromeuskerk was gebouwd, richtten de jezuïeten verschillende broederschappen op, sodaliteiten genoemd. Voor deze sodaliteiten werd tegenover de kerk een gebouw opgetrokken met twee verdiepingen, waarin twee kapellen werden gesticht. Na de opheffing van de jezuïetenorde in 1773 werd het gebouw voor verschillende activiteiten gebruikt, bijvoorbeeld als café en als danszaal. In 1879 kocht het stadsbestuur van Antwerpen het gebouw, dat nog altijd de Sodaliteit werd genoemd, om er de Stadsbibliotheek in onder te brengen. Die bevond zich op dat moment nog in het Stadhuis, maar de ruimte daar was te klein geworden voor de groeiende collectie. Het Stadsbestuur liet de Sodaliteit volledig ombouwen. In 1881 veranderde de naam van het Jezuïetenplein, gelegen voor de Sodaliteit, in Hendrik Conscienceplein, en op 13 augustus 1883 werd het nieuwe bibliotheekgebouw geopend en het bronzen standbeeld van Hendrik Conscience voor de ingang onthuld.

De oude leeszaal in de Sodaliteit werd vanaf 1933 omgevormd tot twee verdiepingen boekenmagazijn, waarboven de Nottebohmzaal werd ingericht als ruimte voor tentoonstellingen, lezingen en als magazijnruimte voor museale voorwerpen. De zaal kreeg haar naam bij Collegiaal Besluit als dankbare herinnering aan Oscar Nottebohm, een zakenman van Duitse origine, die op sociaal en cultureel gebied belangrijk was voor Antwerpen. Bij zijn dood in 1935 schonk hij de Stadsbibliotheek bij testament een belangrijke financiële gift. De Nottebohmzaal is niet alleen bibliotheekmagazijn en tentoonstellingsruimte, maar ook bewaarplaats van een aantal topstukken uit de collectie van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Zo vind je hier een Egyptische kast, de hemel- en aardglobes van Willem en Joan Blaeu, en verschillende borstbeelden van Europese culturele figuren.

De moderne leeszaal biedt toegang tot de collecties van de erfgoedbibliotheek. In de geautomatiseerde catalogus vindt men het hele bibliotheekbezit. De Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience leent geen boeken uit. Wel kunnen werken gebruikt worden in de leeszaal. Veel oude kranten kunnen op microfilm geraadpleegd worden. In de leeszaal zelf ligt de lopende jaargang van honderd tijdschriften.

Meer informatie vind je hier.

Handelsbeurs

De Handelsbeurs vind je in de Twaalfmaandenstraat, een kleine zijstraat van de Meir. Hier bevond zich van 1531 tot 1997 de Antwerpse effectenbeurs, “de moeder van alle beurzen”. Dit gebouw moet je niet verwarren met de Oude Beurs in de Hofstraat. Na 1531 nam Antwerpen de rol als handelscentrum van Brugge over. Daar werd de markt beheerst door Spanjaarden en Portugezen. De Antwerpse groothandelaars kregen in 1485 toestemming van het stadsbestuur om een beurs op te richten. Deze Oude Beurs werd opgetrokken in het centrum van het toenmalige Antwerpse handelsleven.

In de 16e eeuw groeide Antwerpen uit tot een grote metropool met meer dan 100.000 inwoners en 10.000 buitenlandse kooplieden. Ze kregen vanaf 1531 de beschikking over een nieuw gebouw. Het eerste gebouw was in Brabantse laatgotische stijl. Een rechthoekige open ruimte werd omsloten door een met ster- en netgewelven overdekte zuilengalerij. Het galerijconcept van dit gebouw stond model voor de beursen van Londen, Rotterdam, Amsterdam en Rijsel. Na brand in 1583 werd de beurs onmiddellijk naar dezelfde plannen heropgebouwd. Het Beleg van Antwerpen (1584-1585) en de overgave aan het ‘Spaanse’ Leger van Vlaanderen deed het handelsleven wegkwijnen. Tussen 1661 en 1810 werd het gebouw onder meer gebruikt als tekenacademie en zetel van de Sint-Lucasgilde. De open binnenruimte werd in 1853 van een vooruitstrevende koepel voorzien, naar het voorbeeld van het Londense Crystal Palace.

De effectenbeurs van Antwerpen werd eind 1997 afgeschaft en overgenomen door de Brusselse effectenbeurs. Hiermee verloor het gebouw zijn functie. Sindsdien lag de handelsbeurs er verlaten en verwaarloosd bij. Er zijn verschillende plannen geweest om iets anders te doen met het gebouw. In februari 2016 werden tijdens opgravingen verschillende archeologische vondsten gedaan. Zo werden vloerniveaus, muren en een haard/oven uit de late middeleeuwen gevonden. Ook werd er donkergrijs zand aangetroffen, wat wijst op middeleeuwse tuin- en/of landbouw. De meest bijzondere vondst was de ontdekking van enkele urnen die dateren uit de ijzertijd.

Brouwershuis

Het Brouwershuis of Waterhuis is een bouwwerk uit 1554. Het huis bevond zich aan de Eerste Antwerpse vliet in de toenmalige Nieuwstad. In het bouwwerk werd water opgepompt om het te verdelen naar de ongeveer zestien omliggende brouwerijen. De ingang van het gebouw ligt aan de Adriaan Brouwerstraat. Het gebouw heeft ook een gevel, zonder toegang, aan de Brouwersvliet, die in 1930 gedempt werd.

In de 16e eeuw kreeg de lokale bierproductie in Antwerpen een nieuwe impuls. Voordien werd het merendeel van het bier per schip aangevoerd uit Duitsland en Engeland. Zoet drinkbaar water werd in Antwerpen nog aangevoerd via schuiten uit de rivier de Rupel. De eigen bierproductie vroeg om extra wateraanvoer. Om de wateraanvoer efficiënter, sneller en goedkoper te laten verlopen werd vanaf de Herentalse Vaart via een ondergrondse buis water naar dit stadsdeel geleid. Na de bouw en installatie van het Waterhuis werd het water daar opgepompt via een rosmolen. In het gebouw wordt het water eerst opgevangen in een kelderreservoir. Het pompmechanisme pompt het water meer dan twintig meter omhoog naar houten opvangbakken en vanaf daar kon het verder worden verspreid naar de brouwerijen en andere gebouwen in de omgeving.

In 1582 kreeg het Waterhuis een extra functie doordat het ook het gildehuis werd van het Brouwersambacht. Sindsdien werd het Waterhuis ook Brouwershuis genoemd. Het gilde richtte op de bovenverdieping van het huis een raadzaal in, behangen met Mechels goudleren behang en een monumentale marmeren schouw met Ionische zuilen. De pompinstallatie werd in 1856 gemoderniseerd waarbij de rosmolen werd vervangen door pompen en de houten opvangbakken werden ingeruild voor metalen vaten. In het gebouw bleef tot 1930 een hydraulische inrichting voor waterverdeling actief. Het gebouw is niet te bezoeken.

Religieuze bouwwerken

Onze-Lieve-Vrouwekathedraal

De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal staat aan de Handschoenmarkt en is gewijd aan Maria. De kathedraal is een gotische kruiskerk die gebouwd werd tussen 1352 en 1521. Als eerste werd het koor gebouwd, dat in 1415 werd voltooid. Rond 1430 werd besloten om de kerk breder te maken en ontstond er een zevenbeukige kerk. Het schip van de romaanse Onze-Lieve-Vrouwekerk, dat door de gotische kerk werd vervangen, bleef daardoor in gebruik en werd pas in 1469 afgebroken. Het schip werd in 1487 voltooid.

De kathedraal is bekend geworden door de indrukwekkende westgevel met het timpaan dat het Laatste Oordeel toont. De noordelijke toren is ruim 120 meter hoog en is de hoogste kerktoren van de Nederlanden. De toren werd in 1518 voltooid. In de 18de en 19de eeuw is de toren gerestaureerd. In de noordelijke toren bevinden zich de luidklokken en de beiaard. Er zijn 515 treden in deze toren, maar daarboven zijn nog trappen die alleen voor personeel toegankelijk zijn. De toren is elke woensdag tussen april en september te bezoeken onder leiding van officiële gidsen.

Van het oorspronkelijke interieur is zo goed als niets bewaard. Bij de Beeldenstorm zijn glasramen, beelden, relieken, praalgraven en tientallen altaren onteerd en vernietigd door de calvinisten. Alleen een paar oude fresco’s tonen nog iets van de laatgotische inrichting. Tijdens het Twaalfjarig Bestand werd de kathedraal heringericht in barokstijl. Later kende de kathedraal opnieuw een bloeitijd tijdens de neogotiek.

Er is een bijzondere preekstoel uit 1713 in naturalistische stijl. Rechts in de kathedraal zie je de Ark van het Verbond. Het is in late rococostijl en staat op het altaar van de Broederschap van het Allerheiligste Sacrament. Voorin links in de kathedraal zie je negen biechtstoelen. De twaalf apostelen zijn vergezeld door twaalf vrouwelijke figuren. In de Mariakapel zie je het genadebeeld van Onze-Lieve-Vrouw van Antwerpen waar de kerk naar is vernoemd. Het stond al voor de Beeldenstorm van 1566 in de kerk. De kathedraal heeft allerlei gebrandschilderde ramen met religieuze afbeeldingen. Hoogtepunt is natuurlijk het werk van de Vlaamse kunstschilder Rubens. Er zijn vier schilderijen van hem te vinden en een aantal werken van andere meesters.

Meer informatie vind je hier.

Sint-Jacobskerk

De Sint-Jacobskerk is bekend vanwege de grafkapel van de kunstschilder Peter Paul Rubens. De kerk is gebouwd tussen 1491 en 1656, in de stijl van de Brabantse gotiek en gewijd aan de apostel Sint-Jacobus de Meerdere. Het was de bedoeling dat deze kerk de grootste gotische kerk ter wereld zou worden. Het werd echter slechts gedeeltelijk gerealiseerd. De proporties van het bestaande gedeelte geven een idee hoe groots de kerk zou zijn geworden als het voltooid zou zijn. De toren moest 150 m hoog worden, maar er is maar een derde hiervan gerealiseerd.

Bij de zij-ingang van de kerk zie je een herdenkingspaneel dat verwijst naar het verblijf van Ignatius van Loyola in de stad Antwerpen tijdens zijn opleiding. Tijdens de Franse Revolutie werd het interieur niet vernield door de berekende beslissing van pastoor Mortelmans die de eed van haat tegen het koningschap aflegde. De Sint-Jacobskerk is dan ook de enige Antwerpse kerk met een gaaf interieur, typerend voor de 17e en 18e eeuw. Als gevolg van de bombardementen in 1944 verloor de kerk wel de meeste van de gebrandschilderde ramen. Je ziet in de kerk bijzondere kunstwerken. Bijvoorbeeld een altaarstuk van Rubens en Jordaens en beeldhouwwerken. Het hoofdaltaar is een hulde aan Jacobus. Een troon waarop God zit, staat onder een baldakijn in de vorm van een grote houten Sint-jakobsschelp.

Bijzonder zijn de 12 gereconstrueerde en gerestaureerde retabelpanelen van het Sint-Rochusaltaar uit 1517 die het leven van de Heilige Rochus vertellen. Zij hangen nu in de laatste kapel naast de doopkapel. De bekendste grafkapel van deze kerk is de meest oostelijk gelegen kapel Onze-Lieve-Vrouw van Smarten met onder de grafplaat de crypte met de stoffelijke resten van Peter Paul Rubens en zijn familie. Deze grafkapel noemt men nu de Rubenskapel. Rubens stemde pas op zijn sterfbed in met de bouw van de kapel boven zijn graf waarvoor hij enkele aanwijzingen gaf wat betreft de versiering. De grafkapel werd pas voltooid in 1645, vijf jaar na zijn overlijden. Boven het altaar bevindt er zich een werk van Rubens zelf met als titel Madonna omringd door heiligen.

Zoals in tal van andere Europese steden vonden bedevaarders op weg naar het graf van Jacobus in Santiago de Compostella een onderkomen in Antwerpen. Vanaf 1431 gebeurde dat in een ziekenhuis buiten de toenmalige stadswallen. Toen de kapel in 1476 tot parochiekerk werd verheven, zorgde dat ervoor dat 15 jaar later de huidige kerk werd gebouwd. In januari 2019 is een grote restauratie gestart voor zowel de buitenzijde als het interieur van de kerk. Het zal 10 jaar in beslag nemen.

Meer informatie vind je hier.

Begijnhof

Het Begijnhof van Antwerpen ligt in de Rodestraat in de Universiteitswijk en werd gesticht in 1544 toen het oude begijnhof uit 1245, dat buiten de stadswallen lag, om veiligheidsredenen werd verlaten. Het begijnhof was oorspronkelijk van het pleintype, maar later werd er een steegje aangebouwd. De oorspronkelijke kerk werd verwoest in 1799, de huidige Sint-Catharinakerk werd gebouwd in 1827. Een prachtig, stil plekje naast de universiteit, midden in de drukke binnenstad. Er is een mooie binnentuin en een boomgaard.

Begijnen waren vrome vrouwen die in een gemeenschap leefden, maar geen kloostergelofte aflegden. Het eerste begijnhof in Antwerpen (1240-1542), Het Hof Sion, lag ten zuiden van de stad, ver buiten de omwalling. Na de vernieling van Het Hof Sion, kregen de begijnen grond binnen de stad, waar zij hun begijnhof opnieuw begonnen in 1545. Ondanks een moeilijke periode onder de Franse en Nederlandse heerschappij aan het einde van de 18de en in het begin van de 19de eeuw, leefden hier begijnen tot ver in de 20ste eeuw. In 1986 overleed de laatste Antwerpse begijn, Virginie Laeremans.

Sint-Bonifaciuskerk

De Sint-Bonifaciuskerk is een Anglicaanse kerk en de hoofdzetel van het aartsdekenaat Noordwest-Europa. De kerk werd in gebruik genomen op 22 april 1910 en gewijd aan de heilige Bonifacius. De Britten zijn al heel lang in deze stad. De eerste Engelse lakenkoopmannen kwamen in de 12de eeuw naar de stad. Ze verkozen een gouverneur en hof om hun belangen te behartigen en een kapel op te richten. Hiervoor lieten ze meubels overkomen uit Engeland. Ze wijdden hun kapel aan Sint-Thomas van Canterbury. De reformatie in de 16e eeuw trok heel wat religieuze en politieke vluchtelingen aan. Zoals de Engelse hervormers William Tyndale, Bernard Gilpin en de puriteinse denkers Thomas Cartwright en Walter Travers. Door de politiek-religieuze strijd in en rond Antwerpen had de Anglicaanse kerk het erg moeilijk in de stad. “De Compagnie”, die besloten had dat al haar leden lid moesten zijn van de Kerk van Engeland, werd aanvankelijk min of meer met rust gelaten door de (Spaanse) autoriteiten, ondanks de stijgende strengheid van de bevelschriften tegen de nieuwgevormde godsdienst. Toen Antwerpen zijn positie als handelsstad verloor, kwam ook aan de eeuwenlange Engelse aanwezigheid een einde. Dit proces werd bespoedigd door de verbetering van de banden tussen de Britse regering en de regenten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, de Engelse steun aan het protestantisme in die Lage Landen en het verbod op lakenhandel door de Spanjaarden in Antwerpen. Het duurde tot de bevrijding van Antwerpen in 1814 en de oprichting van de Verenigde Nederlanden dat er weer Britten in de stad kwamen wonen. De Britse gemeenschap vroeg aan de regering van de Verenigde Nederlanden om een eigen kerk en overheidssubsidies. Pas in 1830, met de onafhankelijkheid van België, kon de kerk subsidie aanvragen.

De kerk is gebouwd in neogotische stijl. Het heeft een breed centrumschip. Er is een groot koor met eiken koorstoelen en een indrukwekkend altaar dat zich zeven treden boven het niveau van het schip bevindt. Aan de noordkant van het koor vind je, door een mooi bewerkt ijzeren schrijn gescheiden, de Mariakapel. Ten noorden van de kerk zie je een standbeeld van Sint-Bonifatius.

Meer informatie vind je hier.

Sint-Andrieskerk

De bouw van de Sint-Andrieskerk werd begonnen door de paters Augustijnen in het begin van de 16e eeuw. Sinds 25 november 2007 werd een deel van de kerk ingericht en opengesteld als kerkmuseum. Het kerkmuseum werd feestelijk geopend met een tentoonstelling over Antwerpenaren die leefden rond en in de kerk. Dit verhaal, verspreid over vijf thema’s, opgebouwd in arm en rijk.

Het barokke hoofdaltaar werd gemaakt in 1729. Je ziet een driedimensionale beeldengroep van de tenhemelopneming van Maria. De preekstoel uit 1821 vertelt het verhaal van de roeping van de patroonheilige Andreas en diens broer Petrus. Beide vissers worden te midden van hun werk door Jezus aangesproken en weggeroepen om Hem te volgen en voortaan mensenvisser te zijn. De realistische weergave van de personages, hun vangst en hun werkmateriaal en de rotspartijen en plantengroei is schitterend. Ook erg bijzonder is het albasten monument uit 1620 voor de katholieke Schotse koningin Mary Stuart (1542-1587), met een portret op koper. Er is ook een beeld van Petrus uit 1658, getekend door de worsteling van het geweten vanwege van het ontkennen van een vriend, Jezus. Ook zie je een zilveren reliekschrijn met 36 heiligen. Het eeuwenoude Madonnabeeld van de broederschap van Bijstand en Victorie kreeg in 2001 nieuwe kleding van Ann Demeulemeester.

Meer informatie vind je hier.

St.-Carolus Borromeuskerk

De St.-Carolus Borromeuskerk aan het Hendrik Conscienceplein is een voormalige jezuïetenkerk in barokke stijl. De kerk werd tussen 1615 en 1621 gebouwd.
Oorspronkelijk was de kerk gewijd aan Ignatius van Loyola, stichter van de jezuïetenorde. Na het opheffen van de orde in 1773 werd de kerk opnieuw gewijd, ditmaal aan Carolus Borromeus. De kerk is typerend voor de contrareformatieperiode, waarin de katholieke kerk probeerde met pracht en praal het volk weer aan zich te binden en waarin de jezuïeten een leidende rol speelden. De voorgevel is geïnspireerd op onder andere die van de Gesù-kerk in Rome, de moederkerk van de jezuïeten, en is acht meter hoger dan de kerk zelf. De kerk heeft een driebeukige opzet. Boven de zijbeuken zijn galerijen aangebracht. Het koor wordt gemarkeerd door een toren. Peter Paul Rubens verzorgde zowel schilderijen als beeldhouwwerken. Tussen 1816 en 1830 wilde koning Willem I dit gebouw ontdoen van de barokke pracht en praal en als Nederlandse Hervormde Kerk inrichten.

Bij de restauratie van de jaren 1980 werd de kerk opnieuw in barokke stijl ingericht. Boven het altaar hangt telkens één schilderij; met een oud mechanisme wordt dit driemaal per jaar gewisseld: Aswoensdag, Paasmaandag en 14 augustus.

Het schip is ruim en geeft een indruk van rust en welvaart. Wijde vensters laten overvloedig licht binnen in de kerk. Het koor wordt over de hele breedte afgescheiden van het schip door een opmerkelijke houten communiebank uit de 18e eeuw, versierd met motieven die herinneren aan de Heilige Communie. Het altaar aan de linkerkant is gewijd zijn aan de “apostel van India”, Sint-Franciscus Xaverius, dat aan de rechterkant aan de Maagd Maria.
De biechtstoelen zijn versierd met levensgrote beelden van engelen en personages zoals de vergeving van de zondaars, de barmhartige Samaritaan, de verloren zoon, de dood enz.

De Sint-Pauluskerk is een laatgotische kerk aan de Veemarkt, in het Schipperskwartier. De kerk is gewijd aan de apostel Paulus. De kerk ligt in de stadswijk waar vroeger de zeelui woonden. De kerk is in de 16e eeuw gebouwd als dominicaner kloosterkerk. Het was een intellectueel centrum en een plaats vanwaar predikheren werden uitgezonden naar het voornamelijk protestantse Noord-Europa.

De latgotische kerk heeft een voorgevel met renaissancekenmerken. Na een brand in 1679 werd een barokke toren toegevoegd. Het interieur is ook grotendeels in barokke stijl. Tussen 1699 en 1747 werd naast de Sint-Pauluskerk een Calvarieberg opgericht, in een tuin versierd met talrijke beelden op sokkels langs een pad dat tot de heuvel leidt waar het kruis is geplaatst. Het klooster werd opgeheven door de Fransen in 1796.

In 1968 werd de kerk door brand zwaar beschadigd. Omwonenden, voor een groot deel parochianen, vormden een mensenketting en wisten een groot deel van de kunstwerken in de nacht uit het interieur te redden. De restauratie heeft lang geduurd. In de kerk is de schilderijenreeks Vijftien mysteries van de Rozenkrans te zien. Ze staan in een vaste volgorde: vijf blijde mysteries, vervolgens vijf droevige en vijf glorierijke mysteries. Het zijn originele olieverfwerken op houten panelen uit het begin van de 17de eeuw.

Er zijn schilderijen te zien van grote meesters als Peter Paul Rubens, Jacob Jordaens, Antoon van Dyck en Cornelis de Vos. De Aanbidding der herders, van omstreeks 1609, zou één van de eerste werken zijn die Rubens na zijn terugkeer uit Italië in Antwerpen schilderde. Het altaar van de Heilige Rozenkrans bevat een kopie van Caravaggio’s Madonna del Rosario. Het origineel hangt in het Kunsthistorisch Museum van Wenen.

Een stukje geschiedenis

Rond 1400 was Antwerpen nog een kleine stad, maar de stad groeide snel. In 1500 had de stad al vijf keer zoveel inwoners en rond 1560 woonden er 100.000 mensen. Onder keizer Karel V was het de belangrijkste handelsstad in Europa ten noorden van de Alpen. Meer welvaart betekende ook een enorme culturele bloei. Vooral de schilderkunst. De Opstand (Tachtigjarige Oorlog) tegen Spanje zorgde wel voor veel schade. In 1576 werd de stad geplunderd door muitende Spaanse huursoldaten, die in de Spaanse Furie 7.000 burgers vermoordden. De stad sloot zich vervolgens aan bij de Pacificatie van Gent. In 1585 werd Antwerpen door de Spaanse stadhouder Alexander Farnese veroverd na een beleg dat meer dan een jaar had geduurd. Na die verovering ontstond een migratiestroom uit Antwerpen en is ongeveer de helft van de bevolking naar Middelburg en Holland vertrokken. Hollandse en Zeeuwse schepen blokkeerden de Scheldemonding en sloten zo de in Spaans bezit zijnde stad af van de overzeese handel. De bloei van Antwerpen in handel, kunsten en wetenschappen verplaatste zich naar het noorden, naar de staten Holland en Zeeland. Antwerpen bleef wel één van de belangrijkste economische en culturele centra van de Spaanse en later Oostenrijkse Nederlanden. Schilders zoals Rubens, Jordaens en Teniers zijn wereldwijd bekend. En doordat de stad rooms-katholiek bleef, kwamen er grootse kunst- en bouwwerken tot stand, voornamelijk in barokke stijl.

Lees ook

Astrid
Latest posts by Astrid (see all)